direct naar inhoud van 7.3 Bodemkwaliteit
Plan: Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard
Status: voorontwerp
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9928.DOSx2011x0000029IP-VO01

7.3 Bodemkwaliteit

Beleidskader

Wet bodembescherming

Ontwikkelingen kunnen, conform de Wet bodembescherming (Wbb) pas plaatsvinden als de (land- of water)bodem waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden geschikt is of door middel van sanering geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij iedere nieuwbouwactiviteit of bestemmingswijziging dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek voor vaststelling van het bestemmingsplan in beeld te zijn gebracht.

In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Er is daarbij wel een differentiatie mogelijk waarbij de bestaande situatie in relatie wordt gebracht met het toekomstige (gewijzigde) situatie ten aanzien van de functie / het gebruik van de gronden.

De kwaliteit van een verontreinigde bodem moet voor de realisatie van een nieuwe bestemming voldoen aan doelstellingen uit het BEVER beleid (beleidsvernieuwing bodemsanering). Het beleid is er op gericht functioneel om te gaan met eventueel aanwezige verontreinigingen: 'actief bodembeheer'. Actief bodembeheer wordt opgevat als een vorm van ketenbeheer: bescherming, hergebruik van licht verontreinigde grond en puin, beheer en sanering van 'nieuwe gevallen' van verontreinigingen en bestaande verontreinigingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Als uitgangspunt geldt het 'stand still beginsel, met een plus'. Met andere woorden: minimaal de bestaande bodemkwaliteit behouden en, daar waar mogelijk, de bodemkwaliteit verbeteren.

Door vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Wet milieubeheer (Wm) en de Wbb wordt de bodem zo goed mogelijk beschermd tegen handelingen met bodembedreigende stoffen en worden nieuw ontstane verontreinigingen onderzocht en aansluitend gesaneerd.

Bodemvisie Zuid-Holland

De provincie Zuid-Holland heeft verschillende ambities op het gebied van bodemthema's geformuleerd. De relevante ambities zijn:

  • Bodemdaling moet worden tegengaan en het huidige maaiveldniveau worden gehandhaafd. Daar waar dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om het proces zoveel mogelijk te vertragen;
  • Verder verlies aan open (groene) ruimte, waar de bodem zijn waterbufferende functie vervult, moet beperkt worden. Daar waar deze functie door bebouwing en verharding verloren is gegaan, moet het verlies aan waterbufferend vermogen (door bodemafdekking) zoveel mogelijk hersteld of gecompenseerd worden;
  • Binnen de provincie Zuid-Holland staat het voorkomen van nieuwe lokale bodemverontreinigingen via de Wm (via vergunningseisen) centraal. Echter, daar waar deze desondanks toch ontstaan, dienen de activiteiten die tot de verontreiniging leiden onverwijld te worden beëindigd. De bodemkwaliteit moet dan worden hersteld, ongeacht het risico van de verontreiniging;
  • Zoet grondwater moet in de gehele provincie beschermd worden (dus ook buiten de grondwaterbeschermingsgebieden). Dit betekent dat kwaliteitsverslechtering niet wordt toegestaan en dat kwaliteitsverbetering, tot aan de natuurlijke waarden, gestimuleerd moet worden.

Onderzoek

In september 2011 is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Het doel van het onderzoek is om op een effectieve manier inzicht te krijgen in eventuele bodemgerelateerde risico's en knelpunten die vanuit de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit op kunnen treden.

Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied voornamelijk als landbouwgrond en glastuinbouw in gebruik is (geweest). Op een aantal adressen in het plangebied zijn (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten en (voormalige) tanks geconstateerd. Door ingrepen in het plangebied is een aantal sloten gedempt.

De exacte locaties van de slootdempingen zijn onbekend. Ook kunnen in het plangebied plaatselijk ophogingen voorkomen.

Uit eerder uitgevoerd bodemonderzoeken blijkt dat in het plangebied plaatselijk matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie kunnen voorkomen. Mogelijk kan er in het plangebied asbest voorkomen vanwege het voormalig gebruik van bijvoorbeeld asbesthoudende dakbedekking of asbesthoudende kitvoegen in kassencomplexen (bouwjaar vóór 1993).

Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Ridderkerk wordt het plangebied aangeduid met functie 'landbouw/natuur'. Echter kan de bodemkwaliteitskaart niet toegepast worden om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te bepalen. Dit vanwege het voorkomen van diverse bodembedreigende activiteiten in het plangebied. Derhalve dient een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

Om de uitkomsten van het historisch onderzoek te verifiëren, wordt een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 uitgevoerd.

Conclusie

De resultaten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied, die met onderhavig inpassingsplan wordt mogelijk gemaakt.

De uitkomsten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek worden nog geverifieerd middels een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740. DCMR heeft als bevoegd gezag ingestemd met de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek. Voor het inpassingsplan is het uitgevoerde onderzoek toereikend. Er bestaat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig inpassingsplan.