direct naar inhoud van 1.4 Wettelijk kader
Plan: Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9928.DOSx2011x0000029IP-VA01

1.4 Wettelijk kader

1.4.1 Relatie met de Wet ruimtelijke ordening

Per 1 januari 2010 is de digitale paragraaf van de Wro in werking getreden. Dit houdt in dat ruimtelijke instrumenten in digitale vorm beschikbaar moeten worden gesteld. Voorliggend inpassingsplan is digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar. Het plan kan op een eenvoudige manier worden uitgewisseld met andere overheden. De nieuwe digitale systematiek heeft weliswaar gevolgen voor het vertrouwde kaartbeeld en de opbouw van de planregels, maar sluit naadloos aan bij de in de toekomst aan een inpassingsplan te stellen eisen. Het inpassingsplan is opgesteld conform de eisen van de SVBP 2008. Het inpassingsplan wordt gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Het besluit zorgt voor versnelling van de besluitvorming en vermindering van bestuurlijke drukte. Een aantal rijksbelangen wordt met dit besluit geborgd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen van overheden. Per 1 oktober 2012 is dit besluit aangevuld. Het bevat de onderwerpen mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

1.4.2 Relatie met Besluit m.e.r.

In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. (gewijzigd 2011) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (activiteiten genoemd in bijlage C van het Besluit-m.e.r) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (activiteiten genoemd in bijlage D van het Besluit-m.e.r).

Voor m.e.r.-plichtige activiteiten geldt, dat bij wet is bepaald, dat in het kader van de plan- en besluitvorming een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of wel of niet de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu', die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk / noodzakelijk zouden maken. Dit doet zij op basis van door de initiatiefnemer aangedragen informatie, verzameld in een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling.

Onder de grenzen van de (vormvaste) m.e.r.-beoordelingsprocedure geldt voor activiteiten op de D lijst van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.- beoordeling waarin (als onderdeel van het ruimtelijk plan) gemotiveerd wordt dat ten gevolge van het besluit geen 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' voor het milieu aanwezig zijn.

Ook indien uit een (vormvrije) m.e.r. beoordeling blijkt dat 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' bestaan, dient alsnog een MER te worden opgesteld.

M.e.r. (beoordelings)plichtige onderdelen

Met een m.e.r. voor Nieuw Reijerwaard wordt invulling gegeven aan:

  • Plan-m.e.r.-plicht voor biomassavergisting, vanwege met mogelijk maken van verwerking van meer dan 50 ton niet gevaarlijk afval per dag. Het inpassingsplan is kaderstellend voor de vergunningverlening van de biomassavergisting (Bijlage D, artikel 18.1 van het Besluit-m.e.r.);
  • m.e.r.-beoordelingsplicht voor een industrieterrein (mogelijk maken industriële activiteiten, waaronder biomassavergisting) van meer dan 75 hectare (Bijlage D, artikel 11.3 van het Besluit-m.e.r.);
  • m.e.r.-beoordelingsplicht voor het bedrijventerrein, dat wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject van meer dan 100 hectare bruto;
  • vormvrije m.e.r.-beoordeling voor het windpark, vanwege het planologisch mogelijk maken van een windpark van minder dan tien windturbines, danwel een windpark met gezamenlijk vermogen van minder dan 15 MW.

Om aan de diverse m.e.r.-(beoordelings)plichten te voldoen is gekozen om bij het inpassingsplan voor Nieuw Reijerwaard een MER op te stellen. Deze is als bijlage bij het inpassingsplan opgenomen.

1.4.3 Relatie met de Crisis- en herstelwet

Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. Deze wet is gericht op de versnelling van projecten in het ruimtelijke domein, om de economische crisis en haar gevolgen te bestrijden en een goed en duurzaam herstel van de economische structuur van Nederland te bevorderen. De wet voorziet in nieuwe / aangepaste procedures om zo doelgericht een bijdrage te leveren aan werkgelegenheid en duurzaamheid. Provinciale inpassingsplannen vallen onder de Crisis- en herstelwet. De Crisis- en herstelwet bevat twee categorieën maatregelen:

  • tijdelijke maatregelen en bevoegdheden voor projecten genoemd in bijlage I (categorieën van projecten) en bijlage II (concreet benoemde projecten);
  • wijzigingen van bijzondere wetten. Deze wijzigingen zijn voor alle projecten in het ruimtelijke domein van toepassing.

In bijlage I van de wet zijn de categorieën van gevallen benoemd waarop de tijdelijke maatregelen en bevoegdheden uit de wet van toepassing zijn. Onder 1.1 zijn de ontwikkeling en werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 Wro benoemd. Deze afdeling betreft de opstelling van inpassingsplannen door rijk of provincie. Voorgaande betekent dat de tijdelijke maatregelen en bevoegdheden van toepassing zijn op onderhavig inpassingsplan.

Nieuw Reijerwaard valt onder de Crisis- en herstelwet (bijlage II, project 13). Dit houdt voor het besluit concreet in:

  • geen verplichte advisering door de commissie voor de m.e.r. bij een besluitMER;
  • geen verplicht alternatievenonderzoek bij een besluitMER;
  • versnelling procedure Raad van State.

In de ruimtelijke procedure voor Nieuw Reijerwaard wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet biedt. Wel is het opgestelde MER ter advisering voorgelegd aan de commissie voor de m.e.r..