Toelichting artikel 21 Algemene ontheffings- en afwijkingsbepalingen
algemene ontheffing
Bij het opstellen van deze verordening is zoveel mogelijk rekening gehouden met voorzienbare uitzonderingen. Dit komt onder andere tot uidrukking in de opgenomen uitzonderingsbepalingen bij de algemene regels. Niet alle uitzonderingen zijn echter te voorzien. Daarom zijn Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van deze verordening voor bijzondere gevallen. Het gaat om situaties waarbij de verwezenlijking van het gemeentelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met deze verordening te dienen provinciale belangen.

Voor toepassing van de algemene ontheffing voor een ontwikkeling binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gelden aanvullende voorwaarden. Deze voorwaarden vormen een invulling van het zogenaamde “Nee, tenzij” principe dat van toepassing is op ontwikkelingen binnen de EHS. De provincie gaat zeer terughoudend om met het verlenen van ontheffingen voor ontwikkelingen binnen de EHS. In het algemeen zal hierbij sprake moeten zijn van een groot openbaar belang.


ontheffing en herziening
Een ontheffing heeft betrekking op een afwijking van de verordening voor een bijzondere en op zichzelf staande ontwikkeling of situatie. De algemene regel en het kaartbeeld blijven dus onveranderd. Soms is echter wijziging van algemene regels of de kaartbeelden nodig. De provincie actualiseert daarom met regelmaat de structuurvisie en de verordening. Gemeenten en regio’s worden vooruitlopend op een actualisering uitgenodigd om verzoeken tot aanpassing in te dienen.

Een wijziging van de structuurvisie en/of de verordening kan veelal worden benut voor een andere ontwikkeling dan waar het wijzigingsverzoek betrekking op heeft. Dit is met name aan de orde als het gebied de aanduiding 'stads- en dorpsgebied' heeft. Bij ontheffingen speelt dit niet. In juridisch opzicht is het namelijk niet mogelijk een ontheffing te benutten voor een andere ontwikkeling dan waarvoor de ontheffing is aangevraagd en verleend.

Uitgangspunt is dat contouruitbreidingen en wijzigingen van andere gebiedsaanduidingen na een herzieningsverzoek alleen mogen worden benut voor ontwikkelingen passend binnen de aanvraag. Bij een andere invulling is overleg nodig met de provincie. Mocht een gemeente zonder nader overleg tot een andere invulling komen, dan kan de provincie over gaan tot het indienen van een zienswijze bij de beoordeling van het bestemmingsplan.



algemene ontheffing bij groot openbaar of individueel belang (lid 1)
Om enige mate van flexibiliteit in de verordening in te bouwen is de algemene ontheffing opgenomen. De ontheffing ziet op afwijking van deze verordening in incidentele gevallen in zeer bijzondere situaties, waarbij sprake is van een groot openbaar of individueel belang. Daarbij kan gedacht worden aan de uitbreiding van een bedrijf met meer dan 10% in het buitengebied. Belangrijke voorwaarden zijn dat er sprake moet zijn van een groot maatschappelijk, sociaal en/of (bedrijfs)economisch belang en dat de provinciale belangen met deze afwijkingsmogelijkheid niet in onevenredige mate worden aangetast. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden.

algemene ontheffing voor toepassing van maatwerk (lid 2)
Naast de algemene ontheffingsregeling die toegepast kan worden bij groot openbaar of individueel belang, is in de verordening ook een algemene ontheffingsregeling voor de toepassing van maatwerk opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen indien strikte toepassing van de bepalingen van deze verordening niet in verhouding staat tot het belang dat is gemoeid bij de nieuwe ontwikkeling. Het gaat om situaties waarbij wordt afgeweken van de voorwaarden bij de betreffende bepaling, maar waarbij wel wordt voldaan aan de doelstelling van de betreffende bepaling. Een voorbeeld is de aanleg van een nieuw landgoed waarbij wordt afgeweken van de opgenomen criteria, maar waarbij wel sprake is van een forse ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden.

algemene afwijking voor bestaande (bouw)rechten in een geldend bestemmingsplan
Voor zover in een geldend bestemmingsplan ongebruikte bouw- of gebruiksrechten zijn opgenomen die in strijd zijn met de bepalingen van de verordening, dienen deze wegbestemd te worden. In uitzonderlijke situaties kan iemand hierdoor in onevenredige mate in zijn of haar belangen worden getroffen, bijvoorbeeld als sprake is van een toezegging en concrete plannen zijn ontwikkeld voor gebruikmaking van het betreffende (bouw)recht. Omdat de afweging voor het toekennen van een tegemoetkoming voor planschade een verantwoordelijkheid is van de gemeente, kan de afweging over het wegbestemmen ook het best op het gemeentelijk schaalniveau worden gedaan. De opgenomen afwijkingsmogelijkheid biedt hiervoor de mogelijkheid. De afwijkingsmogelijkheid is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. De provincie verwacht van de gemeenten, dat terughoudend wordt omgegaan met de afwijkingsmogelijkheid.

afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk
Deze afwijkingsmogelijkheid is te vergelijken met een ontheffing. Het verschil is dat de gemeente zelf gemotiveerd kan besluiten over afwijken van algemene regels van deze verordening. Afwijking is alleen mogelijk van de algemene regels die in de afwijkingsmogelijkheid zijn genoemd. De gemeente kan deze afwijkingsmogeljjkheid toepassen als het gaat om relatief kleine afwijkingen van de in de algemene regels opgenomen norm. Afwijken kan alleen op basis van een goede motivering waarbij wordt aangetoond dat wel wordt voldaan aan de achterliggende doelstelling van de betreffende norm.

tijdelijke afwijkingsmogelijkheid voor ruimtelijke kwaliteit
De provincie is al enkele jaren bezig met het stapsgewijs uitwerken en vormgeven van het beleid dat is gericht op sturen op ruimtelijke kwaliteit. Een belangrijk instrument is de beeldkwaliteitsparagraaf in gemeentelijke bestemmingsplannen voor het buitengebied. Samen met de regio’s en gemeenten stelt de provincie ‘gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit’ op, die een brug vormen tussen de kwaliteitskaart en de beeldkwaliteitsparagraaf. De bebouwingscontouren zijn als instrument ongenuanceerd en kunnen een belemmering vormen voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in bijvoorbeeld stads- en dorpsranden. Daarom wil de provincie tijdelijk in enkele gebieden ervaring opdoen met het loslaten van de strikte toepassing van de bebouwingscontouren. Dit houdt in dat ruimtelijke kwaliteit zwaarder mee zal wegen bij de afweging over de toelaatbaarheid van een functie. Nu is vooral de functiekaart en de vertaling hiervan in de verordening bepalend voor de toelaatbaarheid van een functie. Gedeputeerde Staten kunnen daarom gebieden aanwijzen –in overeenstemming met de statencommissie Ruimte en Leefomgeving- waar de gemeenten tijdelijk (gedurende een proefperiode) de mogelijkheid krijgen om gemotiveerd af te wijken van de bebouwingscontouren. Vanzelfsprekend gelden daarbij wel randvoorwaarden. Uitgangspunt is toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij de grenzen van het Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) het uitgangspunt vormen. Ook geldt als voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit moet worden versterkt. Functies die worden toegevoegd moeten passend zijn bij de hoofdfunctie van het gebied, zoals aangegeven op de functiekaart. Voorbeeld: in een bebouwingslint in agrarisch gebied kan de toevoeging van een woning passend zijn, maar de toevoeging van een sporthal of een discotheek is dat in het algemeen niet. Gedeputeerde Staten kunnen bij het aanwijzen van de gebieden aanvullende voorwaarden stellen. 


overgangsregeling Ruimte voor Ruimte (lid 4)
Het komt voor dat een de eigenaar van een kas of gebouw in goed overleg met een gemeente is overgegaan tot sloop in de (terechte) verwachting dat daarvoor 1 of meerdere compensatiewoningen mogen worden gebouwd. Het gaat dan om situaties na 1 januari 2003 die aan de randvoorwaarden uit de destijds geldende regelingen Ruimte voor Ruimte om compensatiewoning(en) te mogen bouwen voldeden.
Voorzover die compensatiewoning(en) destijds nog niet ruimtelijk mogelijk is/zijn gemaakt en pas later in een bestemmingsplan wordt/worden opgenomen zou formeel alsnog strijd met de tekst van de verordening moeten worden geconstateerd. Artikel 2 lid 2a sub v spreekt immers over “
te slopen gebouwen of kassen”. Deze aanvullende overgangsbepaling beoogt alsnog rekening te houden met bestaande rechten.