• provincie Zuid-Holland
    provinciale verordening Visie op Zuid-Holland, verordening Ruimte - herziening Oostvlietpolder / Veenderveld-2
  • Visie op Zuid-Holland, verordening Ruimte - herziening Oostvlietpolder / Veenderveld-2

    Inleiding

    Aanleiding
    De vaststelling van het besluit compensatielocatie Oostvlietpolder (PS 26 juni 2013) leidt tot aanpassing van de Provinciale Structuurvisie en van de Verordening Ruimte.

    Opzet
    De herziening van de structuurvisie en de verordening bestaat enkel uit een aantal kaartwijzigingen (deel 1)

    • de functiekaart en kaart 4.8.4 van de structuurvisie
    • de kaarten 1, 4a en 6 van de verordening

    In deel 2 is de toelichting op de herziening opgenomen.

    Milieueffecten
    De Oostvlietpolder en Veenderveld 2 zijn enigszins vergelijkbare locaties. Beide zijn thans nog agrarisch in gebruik en gelegen tussen een snelweg en stedelijke functies/glastuinbouw. Het ‘verschuiven’ van de mogelijkheid tot ontwikkeling tot bedrijventerrein is daardoor op hoofdlijnen een milieu-neutrale activiteit.

    De omvang van het bedrijventerrein Veenderveld 2 is 55 ha bruto. Daarmee wordt de drempelwaarde van 75 ha niet overschreden en is er geen sprake van een planm.e.r.-plicht. Sinds 1 april 2011 zijn deze drempelwaarden echter indicatief. Dit betekent dat ook als een project onder de drempelwaarden blijft, er wel een toetsing moet worden gedaan of er nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Deze toetsing is de zogenaamde “vergewisplicht”. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Dit betekent dat er voor deze partiële herziening van de structuurvisie voor Veenderveld 2 sprake is van een vergewisplicht.
    Deze notitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond waarvan het bevoegd gezag zich kan vergewissen van de te verwachten milieueffecten. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van deze activiteit. Zijn deze belangrijke nadelige milieugevolgen niet uit te sluiten, dan is er alsnog sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht en dus een planm.e.r-plicht voor de partiële herziening van de structuurvisie.

    In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt bekeken welke mogelijke effecten het voorgenomen bedrijventerrein heeft op het milieu. Deze beoordeling wordt uitgevoerd conform de in bijlage III bij de EEG richtlijn 85/337/EEG (gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG en richtlijn 2003/35/EG) genoemde criteria, te weten:

    1. De kenmerken van het project
    2. De plaats van het project
    3. De kenmerken van het potentiële effect

    Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een globale beschrijving gegeven van de te verwachten effecten van de voorgenomen activiteit.

    Uit deze rapportage (zie bijlage) komt naar voren dat er bij de ontwikkeling van de locatie Veenderveld-2 tot bedrijventerrein geen planMER noodzakelijk is omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.