<?xml version ="1.0" encoding="UTF-8"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="IMROPT2012.xsl"?><FeatureCollectionIMROPT xsi:schemaLocation="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0  http://schemas.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0/IMROPT2012.xsd" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><TekstMetadata identificatie="NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01">
<verwijzingNaarPlangebied >NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<typePlan>structuurvisie</typePlan>
<naam>Omgevingsvisie Zuid-Holland</naam>
<beleidsmatigVerantwoordelijkeOverheid>provinciale overheid</beleidsmatigVerantwoordelijkeOverheid>
<naamOverheid>Zuid-Holland</naamOverheid>
<overheidsCode>9928</overheidsCode>
<creatiedatum>2022-05-03</creatiedatum>
<naamPraktijkrichtlijn>IMROPT2012</naamPraktijkrichtlijn>
</TekstMetadata>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.65ED24A7-B1AF-48D4-A795-E5038F86F0BA">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>1</volgnummer>
<niveau>0</niveau>
<type>document</type>
<typeTekst>document</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Omgevingsvisie Zuid-Holland</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<tekstMetadata xl:href="#NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01"/>
<ouderID/>
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.54624353-6EBF-4E3D-8D68-EA8CFBC137F3">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>2</volgnummer>
<niveau>1</niveau>
<type>beleidstekst</type>
<typeTekst>document</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Omgevingsvisie Zuid-Holland - Ruimte en Wonen</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.65ED24A7-B1AF-48D4-A795-E5038F86F0BA" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.3DFFF7F9-E9D2-4B0C-A98E-393162728A92">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>3</volgnummer>
<niveau>2</niveau>
<type>band</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer>1.</nummer>
<naam>Toelichting</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<externeVerwijzing>b_NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01_1.pdf</externeVerwijzing>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.54624353-6EBF-4E3D-8D68-EA8CFBC137F3" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
Wijziging van de omgevingsvisie naar aanleiding van de module Ruimte en Wonen</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>4</volgnummer>
<niveau>2</niveau>
<type>band</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer>2.</nummer>
<naam>Beleidskeuzes</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.54624353-6EBF-4E3D-8D68-EA8CFBC137F3" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.C41D0440-6303-40EF-99A3-7814071ED7FB">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>5</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Lopen</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie wil dat meer mensen meer lopen in een omgeving die daartoe uitnodigt, doordat deze voor lopen veilig, gezond en aantrekkelijk is. Dit geldt zowel voor utilitair als recreatief lopen en zowel in bebouwd gebied als daarbuiten.</p><p>Deze beleidskeuze heeft betrekking op het hele grondgebied van de provincie Zuid-Holland. Daarnaast zijn de Lange Afstands Wandelpaden (LAW’s) vastgelegd op kaart als wandelroutes van provinciaal belang. Deze wandelroutes moeten ruimtelijk beschermd worden.</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>Lopen draagt bij aan een bereikbaar Zuid-Holland. Lopen speelt een belangrijke rol in de ketenmobiliteit, vooral in combinatie met gebruik van het Openbaar Vervoer (‘first and last mile’) bij de reis van deur tot deur. Lopen is een gezonde en schone vervoerwijze. </p><p>Een gezonde, veilige en aantrekkelijke omgeving waarin meer mensen meer lopen draagt bij aan de volksgezondheid en aan de verblijfskwaliteit (zowel voor bewoners als bezoekers). Lopen draagt daarmee ook bij aan sterke steden en dorpen en maakt ruimtelijke verdichting en vergroening beter mogelijk. </p><p>Ook recreatief en sportief wordt er veel gelopen, waarbij gestreefd wordt naar voldoende loop- en recreatiemogelijkheden ’om de hoek’ via een loopnetwerk in een gezonde, veilige en aantrekkelijke omgeving. Hierbij geldt dat onze bewoners en bezoekers graag lopen door groen en langs water, zowel in de stad als daarbuiten (waaronder naast onze recreatie- en natuurgebieden ook het agrarisch gebied). </p><p>Verder draagt een omgeving waarin meer mensen meer lopen bij aan meer onderling contact (de sociale kwaliteit), aan de bereikbaarheid en aan het gebruik van voorzieningen (waaronder ook het Openbaar Vervoer).</p><p>Ten slotte draagt lopen bij aan het beperken van het ruimte- en energiebeslag in deze drukke en dichtbevolkte provincie. </p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>De provincie kan o.a. via haar verantwoordelijkheid voor de recreatieve routenetwerken en natuur- en recreatiegebieden en als concessieverlener voor het regionaal Openbaar Vervoer eraan bijdragen dat meer mensen in Zuid-holland meer gaan lopen. Ook daarbuiten, waaronder in het ruimtelijk en woonbeleid, o.a. door functies meer en beter te combineren en dichter bij elkaar te brengen, kan de provincie bijdragen aan gezonde, veilige en aantrekkelijke loopomgeving.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>Investeringen in een betere loopomgeving blijken maatschappelijk zeer rendabel. Dit komt met name omdat ze zorgen voor gezondheidswinst en een aantrekkelijker leefomgeving met hogere vastgoedwaarden. Al onze inwoners hebben baat bij meer bewegen. Dit geldt vooral voor onze inwoners met overgewicht (ca. 50%) en bewegingsarmoede (ook ca. 50%), Van alle actieve recreatievormen wordt lopen door de meeste mensen het meest gedaan, waardoor het bevorderen van lopen ook de meeste zoden aan de dijk zet om meer Zuid-Hollanders aan de beweegnorm te laten voldoen.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.433C3355-F4F7-4047-99A6-BF5CF47B0421">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>6</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Sport, recreatie en water- en groenbeleving</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap (o.a. Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland), water en natuur (o.a. Hollands Plassengebied en onze Nationale Parken NL Delta en Hollandse Duinen) en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad. Nationale Parken vormen een middel om recreatie te zoneren om daarmee de recreatiedruk op de kwetsbare Natura 2000 gebieden binnen deze parken te verminderen en de recreatieve beleving te versterken in de bufferzones in en rondom deze Nationale Parken. De provincie draagt samen met partners zorg voor het beheer van recreatiegebieden, -netwerken en -voorzieningen, waaronder de recreatieve netwerken voor varen, fietsen, wandelen en paardrijden en streeft ernaar deze voor recreatief en sportief bewegen geschikter te maken.</p><p></p><p>De belangrijkste recreatieve fietsroutes zijn opgenomen in het provinciaal fietsnetwerk (zie de beleidskeuze vaker en verder fietsen). De Lange Afstands Wandelpaden (LAW’s) zijn opgenomen in het provinciale wandelroutenetwerk (zie de beleidskeuze lopen).</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>In het bedrijvige en dichtbevolkte Zuid-Holland dient er voor al onze inwoners ook ruimte te zijn voor ontspanning en voor sport en recreatie. De provincie zet daarom samen met partners in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden voor sport en recreatie. Ons recreatieve routenetwerk (voor fietsen, wandelen, varen en ruiters en menners) speelt daarbij een belangrijke rol.  In omvang en kwaliteit optimale sport- en recreatiemogelijkheden dragen bij aan een goed en gezond leef-, woon- en vestigingsklimaat en aan (ook spreiding van) toerisme. Kansrijke verbindingen zijn er met diverse andere maatschappelijke opgaven als natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>Met de decentralisatie (2012) van het rijksrecreatiebeleid (RodS) is de provinciale verantwoordelijkheid voor het recreatiebeleid uitgebreid. De provincie was reeds verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud van de recreatiegebieden buiten de stad.</p><p>De locaties, voorzieningen, gebieden, wateren en netwerken waarin en waarlangs onze bewoners sporten en recreëren, waaronder onze groenblauwe structuur en recreatieve routestructuren, liggen in een groot deel van de provincie en zijn vaak gemeentegrensoverschrijdend. Het behouden en versterken van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>Er ligt een opgave om de sport- en recreatiemogelijkheden zowel binnen als buiten de stad te behouden en te versterken. De provincie zet daarom in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen voor sport en recreatie. Via dit netwerk worden de locaties, voorzieningen, gebieden en wateren voor sport en recreatie ontsloten (het gaat hierbij met name om ons groen en water, waar o.a. parken, groenblauwe dooradering in de stad, recreatieve stad-land verbindingen en poorten, recreatiegebieden, de groene buffers, overig agrarisch gebied en wateren onderdeel van uitmaken).  Het is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen om deze routes, locaties, voorzieningen, gebieden en wateren voor sport en recreatie in stand te houden, waar nodig verder te ontwikkelen en barrières op te heffen, om zo de kwaliteit, omvang en samenhang te behouden en zo mogelijk te verbeteren.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.FF383829-09D3-47A9-8FC9-C9989BE051C2">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>7</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Sportief en recreatief aantrekkelijke en beweegvriendelijke leefomgeving</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie streeft naar een beweegvriendelijke leefomgeving en een zo groot mogelijke deelname van onze bewoners aan sport en recreatie, met name van ondervertegenwoordigde groepen, vooral in en dicht bij de woonomgeving (bij voorkeur ‘om de hoek’, o.a. voor sport en spel en het maken ‘ommetjes’). </p><p>De provincie streeft ook naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap (o.a. Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland), water en natuur (o.a. Hollands Plassengebied en onze Nationale Parken NL Delta en Hollandse Duinen) en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad. </p><p>De provincie draagt samen met partners zorg voor het beheer en het doorontwikkelen van recreatiegebieden, -netwerken en -voorzieningen, waaronder de recreatieve netwerken voor varen, fietsen, wandelen en paardrijden en streeft ernaar deze voor sport geschikter te maken.</p><p>De belangrijkste recreatieve fietsroutes zijn opgenomen in het provinciaal fietsnetwerk (zie de beleidskeuze vaker en verder fietsen). De Lange Afstands Wandelpaden (LAW’s) zijn opgenomen in het provinciale wandelroutenetwerk (zie de beleidskeuze lopen).</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>In het bedrijvige en dichtbevolkte Zuid-Holland dient er voor al onze inwoners ook ruimte te zijn voor ontspanning en voor sport en recreatie. De provincie zet daarom samen met partners in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden hiervoor. We dragen hieraan bij via (door-)ontwikkeling, kwaliteitsimpulsen en beheer van groengebieden, (water)recreatie en recreatieve infrastructuur. Het recreatieve routenetwerk (voor fietsen, wandelen, varen en ruiters en menners) speelt daarbij een belangrijke rol. In omvang en kwaliteit optimale sport- en recreatiemogelijkheden dragen bij aan een goed en gezond leef-, woon- en vestigingsklimaat en aan (ook spreiding van) toerisme. Kansrijke verbindingen zijn er met diverse andere maatschappelijke opgaven als natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat. Hierbij wordt ook ingezet op voldoende recreatiemogelijkheden ‘om de hoek’, zodat onze inwoners in groene gebieden binnen en buiten bebouwd gebied kunnen rusten, sporten, bewegen en recreëren.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>Met de decentralisatie (2012) van Het rijksrecreatiebeleid (RodS) is de provinciale verantwoordelijkheid voor het recreatiebeleid uitgebreid. De provincie was al verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud voor de recreatiegebieden buiten de stad.</p><p>De locaties, voorzieningen, gebieden, wateren en netwerken waarin en waarlangs onze bewoners sporten en recreëren, waaronder onze groenblauwe structuur en recreatieve routestructuren, liggen in een groot deel van de provincie en zijn vaak gemeentegrensoverschrijdend. Het behouden en versterken van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>Er ligt een opgave om de sport- en recreatiemogelijkheden zowel binnen als buiten de stad te behouden en te versterken. De provincie zet daarom in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen voor sport en recreatie en streeft hierbij naar deelname van al onze inwoners hieraan. Via dit netwerk wordt ons groen en water voor sport en recreatie ontsloten.  Met groen en water wordt bedoeld stedelijk groen, recreatieve stad-land verbindingen, recreatiegebieden, de groene buffers, overig agrarisch gebied en wateren.  Het is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen om deze routes, locaties, voorzieningen, gebieden en wateren voor sport en recreatie in stand te houden, waar nodig verder te ontwikkelen en barrières op te heffen, om zo de kwaliteit, omvang en samenhang te behouden en zo mogelijk verbeteren.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.657CD05F-B936-40B8-84FD-CD9F6B9BC88D">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>8</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Transitie landelijk gebied</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie wil de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied verbeteren en daarbij interbestuurlijk afgesproken doelstellingen voor transitieopgaven realiseren. Bij keuzes over ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied geeft de provincie voorkeur aan locaties of grondgebruik die passen bij het bodem- en watersysteem.</p><p>De provincie kiest ervoor om ontwikkelingen in het landelijk gebied integraal te benaderen, met een samenhangende en gebiedsgerichte aanpak. Hiertoe ontwikkelt de provincie gebiedsprogramma’s, als onderdeel van het omgevingsprogramma. Er zijn gebieden waar meerdere transities samenkomen en urgente beleidsopgaven gerealiseerd worden, waardoor in de komende jaren aanzienlijke veranderingen in de ruimtelijke inrichting te verwachten zijn en ruimtelijke keuzes nodig zijn. De provincie stuurt in deze transitiegebieden op de totstandkoming van gebiedsplannen, als basis voor te maken keuzes over ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’.Ontwikkelingen in het landelijk gebied staan in verbinding met stedelijke ontwikkelingen. De provincie wil bestaande steden en dorpen optimaal ontwikkelen, en tegelijkertijd de kwaliteit van het landelijk gebied behouden of versterken. Ook met oog voor blijvende functies. Zie hiervoor ook de beleidskeuze Verstedelijking.</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>In het landelijk gebied komen meerdere transities en urgente opgaven samen. Er spelen opgaven voor het verbeteren van de natuurdoelen en waterkwaliteit, voor stikstofreductie, klimaatadaptatie en -mitigatie, bodemdaling en het realiseren van de energietransitie. Ook is sprake van verstedelijkingsdruk, met ruimteclaims voor woningbouw, infrastructuur en bedrijventerreinen. Het totaal van deze opgaven heeft een grote ruimtelijke impact op de ontwikkeling van het landelijk gebied en vraagt om een integrale aanpak en sturing op meerdere schaalniveaus.</p><p></p><p>Lokaal gebruik van grond en bebouwing</p><p>Op lokaal niveau spelen vraagstukken over het al dan niet toestaan van (andere) functies op specifieke locaties in het landelijk gebied, zoals de vraag hoe om te gaan met vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). De grote transitieopgaven maken dat de huidige gebruikers van het landelijk gebied, met name agrariërs, op zoek zijn naar manieren om hun bedrijf te kunnen voortzetten, stoppen of verplaatsen. Dit leidt tot vragen over welke activiteiten op specifieke locaties, vaak op perceelsniveau of voor enkele percelen, zijn toegestaan. Deze vragen betreffen zowel het grondgebruik, als het gebruik van de bestaande bebouwing.</p><p></p><p>Structurerende ruimtelijke keuzes op nationale schaal</p><p>Op het nationale schaalniveau worden structurerende keuzes gemaakt over het ontwikkelperspectief van het landelijk gebied. Dit gebeurt in het Nationaal Programma Landelijk Gebied, als beleidsuitwerking van de nationale omgevingsvisie. Het Rijk stuurt daarmee op het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied, mede met het oog op het voldoen aan internationale verplichtingen op het gebied van natuur, water en klimaat. Inzet daarbij is dat de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend wordt voor het landgebruik in het landelijk gebied.</p><p></p><p>De rijksinzet voor het landelijk gebied leidt tot bovenregionale keuzes over verdelingsvraagstukken in het landelijk gebied. Bij dergelijke keuzes gaat het om goede ruimtelijke afwegingen op drie schaalniveaus (nationaal, regionaal en lokaal) en om een goed samenspel hiertussen.</p><p></p><p>Gebiedsregie</p><p>In gebieden waar nationale transitieopgaven en verdeelvraagstukken spelen, zijn ook veel lokale vraagstukken over het wel of niet toestaan van functies op specifieke locaties. Als gebiedsregisseur heeft de provincie hierin een verbindende rol. De provincie wil de (boven)regionale en lokale ontwikkelingen in deze gebieden integraal benaderen en stuurt daarbij op een samenhangende aanpak op gebiedsniveau.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>De transitie van het landelijk gebied raakt aan meerdere provinciale belangen. Het gaat hier om de realisatie van beleidsdoelen en -keuzes uit de provinciale omgevingsvisie, de uitvoering van wettelijke taken vanuit de Omgevingswet en om opgaven die voortkomen uit interbestuurlijk gemaakte afspraken.</p><p></p><p>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op lokaal niveau. De provincie stuurt op regionaal niveau en vanuit provinciaal belang op ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’, waar dat een bovenlokaal belang of effect heeft.Opgaven die zich op meerdere schaalniveaus voordoen komen samen in gebieden; de provincie heeft daarbij de rol van gebiedsregisseur.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’). Daarbij wil de provincie samenwerken met gebiedspartners en een verbindende rol vervullen bij de realisatie van opgaven die zich op meerdere schaalniveaus voordoen en samenkomen in het landelijk gebied. De provincie ontwikkelt hiertoe gebiedsprogramma’s in het omgevingsprogramma, voor landelijke gebieden zoals de Zuid-Hollandse Delta en het Groene Hart.</p><p></p><p>De provincie biedt ruimte voor ontwikkeling in het landelijk gebied, passend bij en ondersteunend aan de realisatie van grotere (transitie)opgaven voor natuur/stikstof, water/bodem, landbouw en klimaat. Daarbij sturen we ook op veranderingen in grondgebruik en nieuwe functies voor vrijkomende agrarische bebouwing, passend bij de gewenste ontwikkelrichting van het gebied en met medeneming van effecten op bestaande en blijvende functies, waaronder agrarische bedrijven. In gebieden waar dit nodig is voor het realiseren van de transitieopgaven, stimuleert de provincie de verplaatsing of beëindiging van agrarische bedrijven.</p><p></p><p>Voor gebieden waar meerdere transities en urgente opgaven spelen, waarbij aanzienlijke veranderingen in de ruimtelijke inrichting van het gebied te verwachten zijn en waarvoor ruimtelijke keuzes nodig zijn (transitiegebieden) sturen we op de totstandkoming van gebiedsplannen. In deze gebiedsplannen wordt de regionaal afgestemde ontwikkelrichting van het gebied op hoofdlijnen weergegeven. Het gebiedsplan omvat richtinggevende doelen en ruimtelijke structurerende principes en wordt met of door de gebiedspartners, waaronder de betrokken gemeenten, ontwikkeld. Het gebiedsplan wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten en kan ook door de betrokken gemeenten worden vastgesteld. Het gebiedsplan heeft dan de status van een programma als bedoeld in de Omgevingswet.</p><p></p><p>Voor gebieden waarvoor een gebiedsplan in ontwikkeling of vastgesteld is, wordt een maatregel opgenomen in het omgevingsprogramma. Hiermee wijst Gedeputeerde Staten het betreffende gebied aan als transitiegebied. Bij de beoordeling van plannen voor een ruimtelijke ontwikkeling binnen een transitiegebied, zoals bijvoorbeeld voor het toestaan van nieuwe functies voor vrijkomende agrarische bebouwing, kan de provincie op de uitwerking van het gebiedsplan anticiperen. Na vaststelling vormt het gebiedsplan de basis voor de beoordeling van ruimtelijke plannen in het gebied.</p><p></p><p>Een gebiedsplan kan worden opgesteld als een gebiedspecifieke uitwerking van een of meer provinciale beleidsdoelen, zoals bijvoorbeeld voor natuur en stikstof. Het kan ook worden geïnitieerd en uitgewerkt als onderdeel van een breder gebiedsprogramma, zoals voor het Groene Hart en de Zuid-Hollandse Delta.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.099C486B-888A-40D9-8DC1-6DF6BF15DC54">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>9</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Vaker en verder fietsen</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>Inwoners en bezoekers maken vaker gebruik van de fiets en leggen langere afstanden met de (elektrische) fiets af, zowel in het dagelijks gebruik als voor recreatieve ritten.</p><p></p><p>We stimuleren gemeenten om hun leefomgeving zo fiets- en wandelvriendelijk in te richten. We zetten in op het verbeteren en aanleggen van veilige fiets- en wandelpaden en snelfietsroutes en hebben oog voor de landschappelijke inpassing en ketenvoorzieningen.</p><p></p><p>Van alle fietsroutes in Zuid-Holland geven we prioriteit aan behoud en verbetering van het provinciaal hoofdfietsnet. Dit bevat de belangrijkste utilitaire en recreatieve fietsroutes.</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>Zuid-Holland is koploper van alle provincies met 5500 kilometer fietspad. We zijn ook de provincie met de hoogste dichtheid aan fietspaden. Alle ruimte dus voor de fiets! Zo’n 30% van alle reizen in Zuid-Holland, korter dan 15 kilometer, wordt op de fiets gemaakt. Het fietsgebruik neemt toe, vooral in de steden. Mensen kiezen dus vaker voor de fiets. Daarnaast zien we nog een trend. Inmiddels worden er meer E-bikes verkocht dan ‘gewone’ fietsen. E-bikes worden niet alleen gebruikt voor recreatieve tochten, maar steeds meer in woon-werkverkeer en op weg naar scholen en universiteiten. Met de E-bike kunnen afstanden tot 15 kilometer makkelijker afgelegd worden. Daarmee wordt de fiets voor veel mensen een volwaardig alternatief voor OV en auto.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>De fiets heeft een aanzienlijk aandeel in de bereikbaarheid van Zuid-Holland. Interlokale fietsverbindingen, provincie brede beleidsvorming, fietsroutes in provinciaal beheer en planologische ontwikkeling vragen om een visie op de fiets als onderdeel van het mobiliteits- en ruimtelijk beleid van Zuid-Holland.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>De toename van het fietsverkeer en de ontwikkeling van brede bakfietsen en snellere e-bikes en speed-pedelecs vragen om ontwikkeling van fietsroutes die bijdragen aan de mobiliteitsvraag en deze op een directe, aantrekkelijke wijze faciliteren.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.B655A8AB-DE01-4213-966D-1451B18CE45B">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>10</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Verstedelijking</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.</p><p></p><p>De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen:</p><p>-	Bouw naar behoefte;</p><p>-	Bouw primair binnen bestaand stads- en dorpsgebied;</p><p>-	Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; versterk de langzaam vervoersrelaties</p><p>-	Bouw voldoende betaalbare woningen;</p><p>-	Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;</p><p>-	Bouw toekomstbestendig; houd rekening met bodemdaling en klimaatadaptatie en -mitigatie, vitale dorpen en verstedelijking, functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, economische toplocaties, gezonde verstedelijking, energietransitie, circulair en natuurinclusief bouwen;</p><p>-	Realiseer in samenhang met het stedelijk netwerk robuuste en klimaatadaptieve recreatie- en natuurgebieden.</p><p></p><p>Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang.</p><p></p><p>Naast de locaties voor mogelijke uitbreiding (locaties op de 3 hectare-kaart) zijn er veel kansen voor inbreiding en verdichting in de bestaande kernen. Specifiek zijn er kansen op de volgende drie locaties: 1) in naoorlogse wijken, 2) in de nabijheid hoogwaardig openbaar vervoersknooppunten en 3) functiemenging op locaties met detailhandel, kantoren en bedrijven.</p><p></p><p>Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij de provincie. Deze worden door de provincie integraal afgewogen en afhankelijk daarvan opgenomen op de 3 hectare-kaart.</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>De verstedelijkingsopgave is groot. Tegelijkertijd is ruimte in het dichtbevolkte Zuid-Holland schaars. Binnen de verstedelijking komen meerdere opgaven samen en deze kunnen elkaar versterken. Er zijn keuzes nodig tussen nieuwe stedelijke uitbreidingen en het investeren in bestaande steden en dorpen. Daarbij speelt de wens voor behoud van het landelijk gebied en tegelijkertijd de ontwikkeling van bestaande steden en dorpen en het beter benutten van bestaande infrastructuur en voorzieningen.</p><p></p><p>Structuurversterking is nodig van het samenhangende stedelijk gebied, waarbij keuzes moeten worden gemaakt voor meer vestigingskwaliteit, nabijheid en diversiteit. Vraag en aanbod van wonen, werkgelegenheid, bedrijfsruimte en voorzieningen zijn soms niet in overeenstemming met elkaar en onevenredig verdeeld over de regio.Om de druk op de autowegen te verminderen, is het van belang dat wonen en werken zoveel mogelijk plaatsvindt nabij hoofdwaardig openbaar vervoer (HOV) en juist daar de hoogste dichtheden in de nabijheid van voorzieningen worden gerealiseerd. Meer mensen kunnen dan gebruik maken van het openbaar vervoer. In combinatie met lopen en de fiets, biedt dit optimale keuzevrijheid tussen de modaliteiten lopen, fietsen, openbaar vervoer en auto. Zo blijft Zuid-Holland ook goed bereikbaar per auto.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>De provincie streeft naar een compact, samenhangend, divers en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Het gebruik van, en de opgaven binnen, de stedelijke agglomeratie overschrijden de gemeentegrenzen. Ook het Rijk streeft ernaar ontwikkelingen zoveel mogelijk te laten plaatsvinden binnen bestaand stads- en dorpsgebied en heeft daarom de ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De ladder laat ruimte voor de provinciale regierol in de ruimtelijk ordening. De provincie Zuid-Holland deelt het belang van de toepassing van deze ladder.Het is van belang dat alle betrokken gemeenten dezelfde uitgangspunten hanteren, zodat sprake is van een gelijk speelveld en onderlinge concurrentie geen afbreuk doet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties op (boven)regionale schaal.</p><p></p><p>Het provinciaal belang is om voldoende woningen en voorzieningen te bieden voor haar inwoners en in het bijzonder om voldoende sociale en betaalbare woningen binnen de regio te hebben en te realiseren. Daarnaast is de kwaliteit van het landschap van regionaal belang. Daarom gaat de provincie hier zorgvuldig mee om.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>De provincie streeft naar het beter benutten en de kwaliteitsverbetering van bestaand stads- en dorpsgebied. Dit is in lijn met de maatschappelijke behoefte en draagt bij aan een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie zet in daarom in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.</p><p></p><p>Daartoe worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:</p><p>1.	Bouw naar behoefte;</p><p>2. Bouw primair binnen bestaand stads- en dorpsgebied;</p><p>3.	Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid. versterk de langzaam vervoersrelaties</p><p>4.	Bouw voldoende betaalbare woningen;</p><p>5.	Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;</p><p>6.	Bouw toekomstbestendig; houd rekening met bodemdaling, klimaatadaptatie en -mitigatie, vitale dorpen en verstedelijking, functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, economische toplocaties, gezonde verstedelijking, energietransitie, circulair en natuurinclusief bouwen;</p><p>7.	Realiseer in samenhang met het stedelijk netwerk robuuste en klimaatadaptieve 	recreatie- en natuurgebieden.</p><p></p><p>Deze uitgangspunten worden hieronder toegelicht.</p><p></p><p>Bouw naar behoefte</p><p>Uitgangspunt van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is dat gebouwd wordt naar behoefte. De provincie streeft ernaar dat aanbod en vraag, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin met elkaar in overeenstemming zijn. De provinciale woningbehoefteverkenning brengt in beeld hoeveel woningen nodig zijn en voor welke doelgroepen. Kwantitatief betekent dat er voldoende woningen in de voorraad beschikbaar zijn, om dat te bereiken moeten er netto voldoende woningen toegevoegd worden. Met kwalitatieve behoefte wordt bedoeld dat er voldoende passende woningen zijn voor de verschillende doelgroepen. Regionale afstemming is hierbij nodig. Het is van belang dat er voldoende woningen beschikbaar zijn voor jongeren en ouderen, ook specifiek in kleinere kernen. Vanuit een oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik is het ongewenst nieuwe ontwikkelingen toe te laten als sprake is van overaanbod.</p><p></p><p>De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van bewoners en bedrijven. Binnen de kaders van het provinciaal beleid willen we zoveel mogelijk tegemoet komen aan die wensen.</p><p></p><p>Voor wonen is het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Zie de beleidskeuze voor wonen.</p><p></p><p>De markten voor kantoren en detailhandel zijn zeer specifiek waarbij sprake is van veranderende omstandigheden. Daarbij kan er op de ene plek sprake zijn van overaanbod en leegstand, terwijl op de andere plek nog ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De provincie hanteert daarom specifiek beleid en regels voor deze sectoren. Zie de beleidskeuzes over detailhandel en kantoren.</p><p></p><p>Voor bedrijven streeft de provincie naar het op lange termijn in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven. Zie de beleidskeuze over bedrijventerreinen.</p><p></p><p>Voor de versterking van het vestigingsklimaat is het wenselijk ontwikkelingen voor wonen en werken in samenhang met elkaar te bezien en in samenhang met investeringen in infrastructuur en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat.</p><p></p><p>Regionale visies</p><p>Met regionale visies voor -in ieder geval- wonen en kantoren stemmen gemeenten in regionaal verband het aanbod af op de vraag. De schaal van deze regionale visies is afgestemd op de markt voor de desbetreffende functie. De regionale visies zijn afgestemd op behoefteonderzoek dat door de provincie is vastgesteld. De provincie is betrokken bij de totstandkoming van deze visies en committeert zich aan de afspraken in de door haar aanvaarde regionale visies. Het is gewenst de regionale visie actueel te houden.</p><p></p><p>De onderbouwing volgens de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van regionale visies. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een door GS vastgesteld regionaal woningbouwprogramma, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Gedeputeerde Staten kunnen bij het vaststellen van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen.</p><p></p><p>De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwerken in hun omgevingsplannen van de regionale visie wonen, kantoren, en –indien van toepassing – detailhandel en bedrijventerreinen. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat de samenwerkende gemeenten zelf hun verantwoordelijk nemen en zo nodig bestaande plancapaciteit voor stedelijke ontwikkelingen die niet (langer) in overeenstemming zijn met een regionale visie, zullen schrappen. Mocht het provinciaal belang dat noodzakelijk maken, dan kan de provincie hiertoe ook haar instrumentarium inzetten.</p><p></p><p>Bouw primair binnen bestaand stads- en dorpsgebied</p><p>Met kwalitatieve verdichting van het stedelijk gebied wordt de agglomeratiekracht en de diversiteit van de gevraagde vestigingsmilieus versterkt. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen en werken en benut bestaande infrastructuur en voorzieningen. Het draagt bij aan efficiënt ruimtebeslag en innovatie in woon-en werkmilieus en in de bouw. Door binnenstedelijk te bouwen kan het open landschap behouden blijven. Behoud en ontwikkelen van het groenblauwe netwerk in, om en tussen de steden draagt bij aan biodiversiteit, een aantrekkelijke leefomgeving, een attractief woonmilieu en een gezonde en klimaatadaptieve omgeving.</p><p></p><p>De provincie hanteert de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ om bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied te bevorderen. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toepassing is ook van provinciaal belang, daarom is in de Omgevingsverordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Doel van de ladder is zorgvuldig gebruik van de ruimte.</p><p></p><p>De provincie wil dat de ladder voor duurzame verstedelijking op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en wil met samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied.</p><p></p><p>Bouwlocaties buiten bestaand stads-en dorpsgebied: 3 ha kaart</p><p>Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt.Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Nieuwe verstedelijking moet passen in regionale visies en de richtpunten ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsvisie en andere in het omgevingsbeleid aangegeven ruimtelijke kaders. Tevens moet nieuwe verstedelijking passen binnen wettelijke voorschriften.</p><p></p><p>Gedeputeerde Staten zien toe op een adequate toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ in het kader van de beoordeling van omgevingsplannen. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied, worden door de provincie afgewogen vóórdat de gemeente de procedure tot wijziging van het Omgevingsplan start. De provincie stelt voor stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied daarom de eis dat deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening op de kaart ‘grote buitenstedelijke bouwlocaties’ (ook wel genoemd: ‘3 ha-kaart’). Daarmee ligt het eindoordeel over omvangrijke verstedelijking buiten bestaand stads- en dorpsgebied bij de provincie.</p><p></p><p>Als een locatie is opgenomen op de ‘3 hectare-kaart’ betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling. Dit neemt niet weg dat de gemeente bij de verdere detaillering van de betreffende ontwikkeling (in het kader van het omgevingsplan) nog wel rekening moet houden met specifieke onderdelen van het provinciaal beleid, bijvoorbeeld het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.</p><p></p><p>De 3 ha-kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) is opgenomen in de Omgevingsverordening. In de bijlage van de Omgevingsverordening zijn tabellen opgenomen met gegevens per locatie.</p><p></p><p>Uitgangspunt voor het opnemen van een locatie op de ‘3 ha-kaart’ is dat het gaat om een reële ontwikkeling. Binnen een periode van ten hoogste 10 jaar moet er voldoende behoefte bestaan voor ontwikkeling van de locatie. Na een periode van 5 jaar is een tussentijdse evaluatie wenselijk. Als er op dat moment geen zicht is op realisering moet worden bezien of de locatie nog wel nodig is, zodat er eventueel ruimte ontstaat voor een andere locatie.</p><p></p><p>De regionale visies voor wonen en bedrijventerreinen vormen belangrijke input voor de ‘3 ha-kaart’. Het is daarom wenselijk om al voordat een nieuwe buitenstedelijke locatie wordt opgenomen in de regionale visie in overleg te treden met de provincie over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die locatie.</p><p></p><p>Bij het ontwikkelen van een locatie die op de 3 ha-kaart staat, zijn het beleid en de regels voor optimalisatie van woningbouwplannen van toepassing. Op gebiedsniveau dienen nieuwbouwplannen een zo hoog mogelijke dichtheid van woningen per hectare te hebben. Daarnaast moeten woningbouwplannen voldoen aan het minimale percentage sociale woningbouw en moet de keuze uit de verschillende woningtypen en functiemenging gemotiveerd worden.</p><p></p><p>Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; versterk de langzaam vervoersrelaties</p><p>Een goede bereikbaarheid is voor Zuid-Holland van groot belang. Dat mensen zich gemakkelijk en comfortabel kunnen verplaatsen tussen gebieden en dat werk en voorzieningen goed bereikbaar zijn, is niet alleen belangrijk voor de leefbaarheid en individuele ontwikkeling maar ook voor het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie van de regio. De voorkeur gaat uit naar nieuwe woningbouw nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) en nabij voorzieningen en werkgelegenheid. In combinatie met fietsen en lopen maakt dit meer compacte en gezonde verstedelijking mogelijk. Deze ontwikkellocaties moeten goed worden aangepast op het provinciaal hoofdfietsnetwerk, zodat een optimale keuze mogelijk is tussen de verschillende vervoersmodaliteiten.</p><p></p><p>Binnen het bestaand stads- en dorpsgebied liggen er veel kansen voor herstructurering en transformatie. Voor de provincie ligt de hoogste prioriteit bij herstructurering, transformatie en functiemenging van locaties die binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer liggen. Daarnaast zijn er in de provincie veel kansen voor inbreiding in naoorlogse wijken.</p><p>Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen voor de bereikbaarheid. Als een nieuwe stedelijke ontwikkeling niet mogelijk is binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer, dan is een goede aansluiting op het provinciaal hoofdfietsnetwerk en bereikbaarheid per auto nodig.</p><p></p><p>Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten</p><p>Binnen de stedelijke agglomeratie stuurt de provincie op sterke en complementaire centra en ontwikkelingslocaties bij knooppunten. Nieuwe investeringen in gebiedsontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur worden zo veel mogelijk geconcentreerd. Daarvoor komen locaties in aanmerking binnen de stedelijke agglomeratie, waar het infrastructuurnetwerk nog onbenutte capaciteit heeft en waar door de stedelijke en economische dynamiek kansen liggen voor de versterking van de agglomeratiekracht en complementariteit in de regio.</p><p></p><p>Andere ontwikkelingslocaties kunnen in aanmerking komen, als ze zijn goed ontsloten per hoogwaardig openbaar vervoer en goed aangesloten zijn op het (provinciaal) hoofdfietsnetwerk en goed te bereiken zijn over de weg. Nieuwe bovenregionale voorzieningen (zoals bovenregionale ziekenhuizen, opleidingscentra en culturele voorzieningen) wil de provincie concentreren op locaties die verschillende voordelen combineren: de te bereiken schaalvoordelen, de bijdrage aan de stedelijke economie en dynamiek van de gebieden en het benutten van de capaciteit op het mobiliteitsnetwerk.</p><p></p><p>Levendige en dynamisch centra zijn belangrijk voor de agglomeratiekracht en het vestigingsklimaat. Het is daarom belangrijk dat centrumfuncties, zoals bioscopen, theaters, musea, detailhandel en horeca, in de centra wordt geaccommodeerd en niet in de periferie. De aard en omvang van deze voorzieningen moet aansluiten bij de aard en omvang van de locatie. Een megabioscoop hoort dus bijvoorbeeld niet thuis in een wijk- of stadsdeelcentrum.</p><p></p><p>Bouw toekomstbestendig; houd rekening met bodemdaling, klimaatadaptatie en -mitigatie, vitale dorpen en verstedelijking, functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, economische toplocaties, gezonde verstedelijking, energietransitie, circulair en natuurinclusief bouwenBij de planvorming spelen vraagstukken rondom energie, duurzaamheid, bodemdaling, klimaatadaptatie en -mitigatie, circulair en natuurinclusief bouwen en een gezonde leefomgeving een steeds belangrijkere rol. Dit vindt zijn weerslag in locatiekeuzes, bij uitvoering van diverse bouwprogramma’s en bij keuzes ten aanzien van de levensduur en functionaliteit van gebouwen.</p><p></p><p>De provincie vraagt gemeenten rekening te houden met mogelijkheden voor functiemenging van wonen en bedrijvigheid. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, oftewel meervoudig ruimtegebruik. Afwentelen van ruimtelijke functies wordt voorkomen.Creëren van nabijheid en behoud van werk in stad en dorp zorgt voor minder autoafhankelijkheid en meer vitaliteit. Tevens zorgt het voor ruimte op bedrijventerreinen voor bedrijven die daar vanwege geur-, geluid-, stof- of verkeershinder echt moeten zitten.</p><p></p><p>De provincie heeft de ambitie om gebouwen incl. alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO² neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn aansluitend bij de groenblauwe structuur van Zuid-Holland. Verstedelijking draagt zo bij aan klimaatmitigatie, mede door de vergroening het toekomstbestendig bouwen.</p><p></p><p>Daarnaast vraagt provincie om bij de locatiekeuzes voor en het ontwikkelen van nieuwe bouwplannen, rekening te houden met de (nabije) groenblauwe structuur voor natuurinclusiviteit, gezondheid en recreatie, als ook de bodemdalingsgevoeligheid en het watersysteem van een gebied expliciet mee te nemen vanwege het toekomstig beheer van gebouwen alsmede de woon- en werkomgeving. De potentieel hoge aanleg- en beheerskosten zijn voor ons extra reden om terughoudend te zijn ten aanzien van het toevoegen van nieuwe bouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied in bodemdalingsgevoelige gebieden. De provincie wil hierbij samen met de regio’s tot maatwerk komen in de regionale visies, op gebied van werklocaties en wonen.</p><p></p><p>Bouw voldoende betaalbare woningen</p><p>De provincie wil zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen. Het gaat daarbij om woningen voor de doelgroepen van de sociale huursector en woningen voor de middeninkomensgroep. Passende huisvesting voor de doelgroepen van de woningcorporaties is van groot belang. De urgentie is groot en de wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn lang.Ook voldoende betaalbare woningen voor de middeninkomensgroep is van groot belang. Deze doelgroep verdient te veel voor de sociale huursector en is aangewezen op de geliberaliseerde huursector en betaalbare koopvoorraad. Zie ook de beleidskeuze wonen.</p>
</tekst>
</TekstObject>
<TekstObject identificatie="NL.IMRO.PT.22D80523-54B6-466D-BA95-18F3CC2A3AF2">
<verwijzingNaarPlangebied>NL.IMRO.9928.DOSx2016x0904358SV-OW01</verwijzingNaarPlangebied>
<volgnummer>11</volgnummer>
<niveau>3</niveau>
<type>deel</type>
<typeTekst>beleid</typeTekst>
<titelInfo>
<TitelInfo>
<label></label>
<nummer></nummer>
<naam>Wonen</naam>
</TitelInfo>
</titelInfo>
<ouderID xl:href="#NL.IMRO.PT.7AF841A9-C82A-4910-8F6B-3EF54453B631" />
<tekst xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xmlns:imropt="http://www.geonovum.nl/imro/pt/2012/1.0" xmlns:xl="http://www.w3.org/1999/xlink">
<p><strong>Beleidskeuze:</strong></p>
<p>De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen, waaronder bijzondere doelgroepen en de doelgroepen van woningcorporaties.</p><p>Tot de bijzondere doelgroepen behoren personen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang of beschermd wonen, urgent woningzoekenden, senioren, vergunninghouders, ex-gedetineerden, jongeren , en studenten, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners.</p><p></p><p>Tot de doelgroepen van woningcorporaties behoren personen die door hun lage inkomen (primaire en secundaire doelgroep) of andere omstandigheden (bijzondere doelgroepen) moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting.</p><p></p><p>Gemeenten en de provincie stellen daarvoor jaarlijks gezamenlijk een regionale woningbouwprogramma op. Regionale woonvisies bevatten de algemene uitgangspunten voor de regionale woningbouwprogramma’s.</p>
<p><strong>Aanleiding:</strong></p>
<p>Wonen is een primaire levensbehoefte en als (sociaal) grondrecht verankerd in artikel 22 lid 2 van de Grondwet. Het wettelijk kader voor wonen ligt vast in onder andere de Woningwet en de Huisvestingswet 2014.</p>
<p><strong>Motivering Provinciaal Belang:</strong></p>
<p>Voorzien in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur. De provincie houdt toezicht op de gemeentelijke uitvoering van de Huisvestingswet 2014.</p>
<p><strong>Toelichting:</strong></p>
<p>UitgangspuntenProvinciaal beleid </p><p></p><p>Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte</p><p>De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gebouwd, waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woningen op de juiste plekken en op het juiste moment. Om in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien worden regionale behoefteraming vastgesteld. Voor de verdeling over de woningbouwprogramma’s (de lijst projecten per regio) zijn vitale dorpen en steden een relevante invalshoek. Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het toekomstbestendig bouwen en wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, klimaatadaptatie en -mitigatie, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waarvoor de provincie staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijnstrategie.</p><p></p><p>Betaalbare woningbouw</p><p>Bij betaalbare woningbouw gaat het om huisvestiging voor de doelgroepen van de sociale huursector en om woningen voor de middeninkomensgroep.</p><p></p><p>Ons beleid is hieronder uiteengezet. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft aangegeven dat hij in 2022 afspraken wil maken met de provincies over woningbouw. Die afspraken gaan onder meer over voldoende betaalbare woningbouw. De minister heeft de ambitie uitgesproken dat 2/3 van de woningbouw betaalbaar moet zijn. De afspraken met de minister kunnen gevolgen hebben voor de toepassing van ons beleid en mogelijk leiden tot bijstelling van ons beleid.</p><p></p><p>1) Huisvesting voor doelgroepen van de sociale huursector</p><p>De provincie vindt passende huisvesting voor de doelgroepen van woningcorporaties van groot belang. De urgentie is groot en de wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn lang. Ook door de instroom van vergunninghouders en zorgdoelgroepen en het verdwijnen van sociale huurwoningen uit de voorraad door sloop of verkoop is het van groot belang dat er voldoende sociale huurwoningen worden gebouwd. Als er sprake is van schaarste kan dat reden zijn om aanpassingen te doen aan de woningvoorraad. De provincie heeft inzicht wat kwantitatief en kwalitatief nodig is: aan de ene kant voor de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad, onderscheiden naar prijsklassen, en het aanbod sociale huurwoningen en aan de andere kant de ontwikkeling van de omvang van de doelgroepen en de actief woningzoekenden die daarop aangewezen zijn. In het bijzonder is er aandacht voor een passende voorraad en een passend aanbod van huurwoningen onder de liberalisatiegrens voor de primaire en secundaire doelgroepen van corporaties.</p><p></p><p>2) Woningen voor de middeninkomensgroepDe provincie wil ook zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen voor de middeninkomensgroep. Op de woningmarkt behoeven middeninkomens als doelgroep extra aandacht. Deze doelgroep verdient te veel voor de sociale huursector en is aangewezen op de geliberaliseerde huursector en betaalbare koopvoorraad. Woningen van dit type kunnen ook de doorstroming bevorderen waarmee een deel van het sociale segment vrijkomt.</p><p></p><p>Betaalbare woningbouw heeft te maken met de betaalmogelijkheden van het huishouden. De provincie hanteert een definitie van middeninkomens die ligt tussen de toewijzingsnorm voor corporaties in de sociale huursector en anderhalf keer modaal.</p><p></p><p>Middenhuur</p><p>Bij de bovengrens voor middenhuur wordt uitgegaan van een minimale inkomensvereiste van vier keer de huur. Dit is een gangbare norm voor verhuurders. Op basis van anderhalf keer modaal kan de maximale huurprijs worden berekend.</p><p></p><p>Betaalbare koop</p><p>De bovengrens voor betaalbare koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met anderhalf keer modaal inkomen gebaseerd op de NIBUD-financieringslastennormen. De bovengrens voor sociale koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met een modaal inkomen volgens diezelfde NIBUD-financieringslastennormen.</p><p></p><p>In overleg met de regio’s hanteert de provincie bij de beoordeling van de regionale woningbouwprogramma’s de grenzen uit de regionale woonvisie die gelden op het moment dat deze beleidsregel van kracht wordt. Bij de vaststelling van een nieuwe regionale woonvisie gaat de provincie ervan uit dat de regio’s de provinciale grenzen volgen.</p><p></p><p>Flexwonen</p><p>Flexwonen biedt een mogelijkheid om snel extra woonruimte aan de woningvoorraad toe te voegen door tijdelijke woningen op (tijdelijke) locaties of in leegstaand vastgoed te realiseren. Met Flexwonen wordt gedoeld op verschillende soorten tijdelijke huisvestingsoplossingen, waarbij men woont op basis van tijdelijke huurcontracten. Naast het tijdelijke huurcontract is het tijdelijke karakter van tenminste één van de volgende aspecten kenmerkend:</p><p>- de woonruimte zelf;</p><p>- de bewoning (via het gebruik van een tijdelijk huurcontract); of</p><p>- het gebruik van de locatie waarop een woning wordt geplaatst.</p><p></p><p>Flexwonen dient als een ‘flexibele schil’ om de bestaande woningvoorraad heen en kan fungeren als ‘ventiel’ voor de druk op een gespannen woningmarkt (ook in gebieden waar in de toekomst de woningbehoefte zal afnemen).</p><p></p><p>De provincie ziet in Flexwonen een oplossing voor het snel beschikbaar krijgen van woonruimte voor vooral spoedzoekers, zeker in tijden van woningtekort. Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken. Spoedzoekers betreft een brede groep mensen, zoals vergunninghouders, (buitenlandse) studenten, starters op de woningmarkt, gescheiden mensen, mensen die uit hun woning zijn gezet, mensen afkomstig uit een (woonzorg)instelling, arbeidsmigranten en mantelzorgers.</p><p></p><p>Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag. Dat is nodig omdat de provincie Zuid-Holland ziet dat de huidige woningmarkt te weinig woonruimte voor spoedzoekers biedt en omdat de bouw van reguliere woningen vaak te lang op zich laat wachten. Spoedzoekers zijn mensen die met spoed een woonruimte zoeken.</p><p></p><p>De provincie wil met Flexwonen ook een aantal minder gewenste huisvestingsoplossingen die spoedzoekers nu door gebrek aan alternatieven gebruiken, zoals de permanente bewoning van recreatieterreinen, verminderen. Gebouwen voor Flexwonen worden beschouwd als stedelijke functie die in beginsel in bestaand stads en dorpsgebied moeten worden gerealiseerd.</p><p></p><p>Arbeidsmigranten</p><p>Arbeidsmigranten/ internationale werknemers zijn belangrijk voor de Zuid-Hollandse economie. Er is een continue vraag vanuit het bedrijfsleven naar arbeidsmigranten in diverse sectoren: van de land- en tuinbouwsector, tot techniek, tot zorgsector. Om aan deze vraag te voldoen is goede tijdelijke huisvesting een steeds belangrijkere voorwaarde voor arbeidsmigranten om te kiezen voor een (tijdelijke) baan in Nederland. Het aanbod van tijdelijke huisvesting is echter, zowel kwantitatief als kwalitatief, nog steeds onvoldoende. Dit legt een onevenredige druk op de bestaande woningvoorraad met name in het goedkopere deel daarvan. Daarnaast wordt door verkamering van bestaande woonruimtes of door concentratie van huisvestingslocaties van arbeidsmigranten soms overlast door omwonenden ervaren. Ook sluiten de huidige woon- en werklocaties niet altijd goed op elkaar aan waardoor lange verkeersbewegingen noodzakelijk zijn en het wegennet onnodig belast wordt.</p><p></p><p>De termen arbeidsmigranten en internationale werknemers zijn deels uitwisselbaar. Onder internationale werknemers vallen echter vaak ook de zogenaamde ‘expats’ en om deze groep gaat het hier niet. Daarom is gekozen voor de preciezere term ‘arbeidsmigranten’. Het gaat daarbij om werknemers die hier in principe voor de korte en middellange termijn (tot maximaal drie jaar) komen werken in laaggeschoolde arbeid. “In principe” omdat zij, ook als zij langer blijven, vaak te maken hebben met onvoldoende doorstromingsmogelijkheden naar de reguliere woningmarkt, waardoor zij aangewezen zijn op dezelfde huisvesting als de kort- en middellang verblijvende arbeidsmigranten.	</p><p></p><p>Beleid huisvesting arbeidsmigranten</p><p>Huisvesting van arbeidsmigranten (zowel tijdelijk als permanent) wordt beschouwd als een stedelijke functie die – in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking – in beginsel binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) moet worden gerealiseerd. Dat kan in de bestaande woningvoorraad, maar ook via transformatie van leegkomende andere panden of (tijdelijk) op nog niet ontwikkelde locaties voor bijvoorbeeld woningbouw of bedrijventerreinen.</p><p></p><p>Aan de (buiten)rand van BSD zijn er in beperkte mate ook mogelijkheden voor huisvesting van arbeidsmigranten indien binnen BSD geen ruimte beschikbaar is. Daarbij moet worden voldaan aan het ruimtelijke kwaliteitsbeleid waarin mogelijkheden zijn voor inpassen, aanpassen en transformeren van locaties op perceelniveau.</p><p></p><p>Indien de ruimtelijke kwaliteitscriteria onevenredig belemmerend werken, kan in overleg met de provincie gekeken worden of afwijking voor maatwerk op grond van de Omgevingsverordening mogelijk is.</p><p></p><p>Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, is de zogenoemde ‘kruimelregeling’ uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing op sommige ontwikkelingen met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is aangegeven voor welke situaties toetsing aan de verordening aan de orde is.</p><p></p><p>Daarnaast is, onder voorwaarden, short- en midstay huisvesting ten behoeve van arbeidsmigranten mogelijk in de greenports (glastuinbouw, bollenteelt en boom- en sierteelt). Hierdoor kunnen arbeidsmigranten dichter in de buurt van het werk worden gehuisvest. Hergebruik of transformatie van kassen naar andere functies dan teelt is niet mogelijk. Dit geldt eveneens voor de als categorie 1 gekwalificeerde bedrijfsbebouwing ten behoeve van de herstructureringsopgave in het op 11 oktober 2016 door de gemeente en de provincie vastgestelde Werkboek Westland.</p><p></p><p>Voor nieuwbouw kan ook gedacht worden aan (tijdelijke) huisvesting op bouwlocaties die nog niet. geheel zijn ontwikkeld. Huisvesting van arbeidsmigranten op bedrijventerreinen is toegestaan op percelen die incourant zijn voor bedrijven of bij meervoudig ruimtegebruik (te denken valt aan huisvesting boven op een loods of verzamelgebouw), mits de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet onevenredig wordt beperkt en een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden (nabijheid voorzieningen, zichtbaarheid, sociale veiligheid).</p><p></p><p>Bij een piekbehoefte kan tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voor maximaal drie maanden worden gerealiseerd bij het bedrijf dat de arbeidskrachten gedurende deze piekperiode nodig heeft. Daarna moet de bebouwing weer worden verwijderd en de huisvesting beëindigd. Wel is het van belang dat de huisvesting geen belemmering vormt voor de (agrarische) bedrijfsvoering in de omgeving.</p><p></p><p>Hergebruik van bestaande of leegstaande gebouwen buiten BSD is in beginsel mogelijk. Hierbij is de nabijheid van voorzieningen wel gewenst. Ruimtelijke kwaliteitseisen zijn van toepassing. Gebruik van recreatiecomplexen voor de al dan niet tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en eventuele andere groepen die tijdelijke huisvesting zoeken, is ongewenst indien dit de hoofdfunctie van het complex (toeristisch-recreatief gebruik) in de weg zit.</p><p></p><p>Om de omstandigheden waarin arbeidsmigranten wonen te verbeteren zijn de volgende zaken van belang. Allereerst is een goed woon- en leefklimaat voor arbeidsmigranten van belang. Huisvesting voor arbeidsmigranten dient dan ook minimaal te voldoen aan de normen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Minimaal, omdat de provincie graag ziet dat gemeenten en marktpartijen hogere kwaliteitsnormen stellen, zoals ook aanbevolen door het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten.</p><p>Verder is het van belang dat een zelfstandig wooncontract wordt geboden, los van het arbeidscontract. Met de Wet Goed Verhuurderschap kan de gemeente een verhuurdervergunning instellen waarin onder meer voorwaarden zoals een zelfstandig wooncontract kunnen worden gesteld.</p><p></p><p>Bij de komst of uitbreiding van nieuwe bedrijvigheid bestaat er een verplichting om bij initiatieven die leiden tot een aanzienlijke toename van de huisvestingsbehoefte, onderzoek te doen naar het effect op de huisvesting en tevens aan te geven hoe in de extra behoefte wordt voorzien.</p><p></p><p>Instrumenten</p><p>Om het provinciaal woonbeleid te realiseren maken (samenwerkende) gemeenten in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma’s.</p><p></p><p>Regionale woonvisie</p><p>Gemeenten stellen periodiek in regionaal verband regionale woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Gemeenten en provincie spreken in gezamenlijkheid af welke uitgangspunten en randvoorwaarden voor de regionale woonvisie gelden. De regionale woonvisie vormt vervolgens het kwalitatieve en kwantitatieve kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen en jaarlijks te actualiseren regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie. Gemeenten in de regio brengen hun lokale woonvisies in lijn met de regionale woonvisie.</p><p></p><p>De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft aangegeven dat hij in 2022 afspraken wil maken met de provincies over woningbouw. Deze afspraken hebben betrekking op het opvoeren van het bouwtempo, nieuwbouw en betaalbare woningen. De afspraken zijn daarmee ook relevant voor de regionale woonvisies en de gemeentelijke woningbouwplannen.</p><p></p><p>Regionale woonvisies moeten actueel zijn. De regio draagt hiervoor zorg. Wanneer hiertoe aanleiding is, kan ook de provincie het initiatief nemen tot actualisatie van een regionale woonvisie. De regionale woonvisie voldoet aan onderstaande uitgangspunten:</p><p></p><p>1.	Voorraadontwikkeling en planrealisatie</p><p>Commitment op realisatie van de plannen uit het gezamenlijk vastgestelde regionaal woningbouwprogramma. De basis hiervoor is de Planregistratie wonen.</p><p>o	De regio geeft een minimumpercentage aan dat ze van de planvoorraad wil en kan realiseren op basis van uitgangspunt dat programmeren is toegestaan tot 130% en realisatie tot 100% van de provinciale behoefteraming. Dit is een criterium voor realisatie en biedt de mogelijk om gesprek aan te gaan over mogelijke versnellingsmogelijkheden en knelpunten.</p><p></p><p>2.	Voorraadontwikkeling voor specifieke inkomensgroepen</p><p>a.	Voorraadontwikkeling sociale huurEen concrete doelstelling in percentage van de voorraadontwikkeling van sociale huurwoningen met daarbij als onderdeel een percentage voor sociale huur in nieuwbouw en een minimum gewenst percentage binnen de bestaande bouw.</p><p>b.	Voorraadontwikkeling middenhuur</p><p>Een concrete doelstelling in percentage van de voorraadontwikkeling van de middenhuur sector (volgens definitie van de provinciale Woonbarometer) met daarbij als onderdeel een percentage voor middenhuur in nieuwbouw en een minimum gewenst percentage binnen de bestaande bouw.</p><p>c.	Voorraadontwikkeling betaalbare koop</p><p>Een concrete doelstelling in percentage van de voorraadontwikkeling betaalbare koop (volgens definitie van de provinciale Woonbarometer) met daarbij als onderdeel een percentage voor betaalbare koop in nieuwbouw en een minimum gewenst percentage binnen de bestaande bouw.</p><p></p><p>3.	Voorraadontwikkeling voor specifieke doelgroepen</p><p>a.	Voorraadontwikkeling senioren</p><p>Een concrete doelstelling in percentage van de voorraadontwikkeling voor levensloopbestendige woningen, specifiek geschikt voor senioren. Belangrijk om op deze doelstelling te kunnen sturen is vanwege het belang van doorstroming op de woningmarkt en de toenemende vergrijzing. Indien nodig een percentage voor levensloopbestendige woningen in nieuwbouw.</p><p>b.	Voorraadontwikkeling Flexwonen</p><p>Een concrete doelstelling in percentage van de voorraadontwikkeling voor flexwoningen met daarbij als onderdeel een percentage voor nieuwe flexwoningen. Het gaat om:</p><p>o	de beschrijving in welke mate Flexwonen kan bijdragen aan de huisvesting van de verschillende doelgroepen (waaronder arbeidsmigranten);</p><p>o	de beschrijving hoe initiatieven van Flexwonen worden bevorderd;</p><p>o	de opsomming van welke Flexwonenprojecten er zijn en worden gerealiseerd</p><p>o	de doorwerking in lokale woonvisies, prestatieafspraken met woningcorporaties, woningbouwprogrammering en projectovereenkomsten.</p><p></p><p>Tevens gaat de regionale woonvisie in op de volgende punten.</p><p></p><p>4.	Een beschrijving van hoe wordt omgegaan met het uitgangspunt van de Ladder voor duurzame verstedelijking om binnenstedelijk te bouwen en/of binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer. Voor zover locaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied of buiten de invloedsfeer van HOV nodig zijn, worden de ruimtelijke aspecten (waaronder de ontsluiting) van die locaties onderbouwd.</p><p></p><p>5.	Een weergave van de potenties om gebouwen en locaties zowel kwalitatief als kwantitatief beter en adequater te benutten door ingrijpende woningverbetering, sloop-nieuwbouw, herstructurering, Flexwonen, verdichting en transformatie. Dit vanuit de wens om te komen tot betere benutting van de gebouwde omgeving.</p><p></p><p>6.	Een onderbouwing van de keuzes en maatregelen voor de woonopgaven in relatie tot energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptatie en -mitigatie, bodemdaling, circulariteit en gezonde leefomgeving.</p><p></p><p>7.	Is de schaarste aan woonruimte zo groot is dat één of meer gemeenten in de regio voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van die schaarste een huisvestingsverordening gebruikt, bevat de regionale woonvisie tenminste het volgende.</p><p>o	Een definitie van het begrip schaarste aan woonruimten. Deze definitie dient aan te sluiten bij de bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimteverdeling.</p><p>o	Eén of meer indicatoren waarmee de schaarste wordt gemeten.</p><p>o	Een kwantitatief uitbreidingsprogramma om de voorraad goedkope woonruimten af te stemmen op de omvang van doelgroepen, gericht op een significante afname binnen een benoemde termijn (vier jaar) van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. De bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimte verdeling leveren informatie op voor dit uitbreidingsprogramma. Bij dit uitbreidingsprogramma wordt rekening gehouden met de specifieke woningbehoeften van bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld goed toegankelijke woningen voor senioren.</p><p></p><p>Regionaal woningbouwprogramma</p><p>Het regionale woningbouwprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd door gemeenten en de provincie. Een regionale woonvisie vormt daarvoor het kader. In het woningbouwprogramma wordt aangegeven welke plannen de komende periode van tien jaar worden uitgevoerd om de gewenste woningvoorraadtoename te realiseren. Het actualiseren van het regionale woningbouwprogramma gebeurt via het digitale systeem Planregistratie wonen.</p><p></p><p>Een regionaal woningbouwprogramma bevat ten minste de volgende informatie:</p><p>o	Het aantal voorgenomen te realiseren woningen in relatie tot de gewenste woningvoorraadtoename. De provinciale woningbehoefteramingen zijn hierin leidend;</p><p>o	De beoogde woningdifferentiatie;</p><p>o	De ligging van de locaties (inclusief de ontsluiting);</p><p>o	De beoogde te huisvesten doelgroepen;</p><p>o	Het al dan niet aanwezig zijn van een huisvestingsverordening met als uitgangspunt schaarste aan goedkope woonruimte en of het woningbouwprogramma leidt tot een significante afname van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van die schaarste;</p><p>o	De beoogde maatschappelijke meerwaarde voor bijvoorbeeld energietransitie, klimaatadaptatie en -mitigatie, bodemdaling, bereikbaarheid en groene en gezonde leefomgeving.</p><p></p><p>Andere punten die van belang zijn:</p><p>o	De provincie geeft waar nodig ruimte voor 30 procent overprogrammering in het woningbouwprogramma in verband met planuitval.</p><p>o	De provincie sluit aan bij de rijksladder voor duurzame verstedelijking. Dit maakt dat de transformatie van bestaand stads- en dorpsgebied, zoals kantoren, winkels en cultuurhistorische waardevolle gebouwen, binnen de invloedssfeer van Hoogwaardig Openbaar Vervoer vaak niet ladderplichtig zijn en met het oog op de woningbehoefte altijd kan worden gestart. Ook als deze transformatie nog niet in overeenstemming is met het regionale woningbouwprogramma. Bij de jaarlijkse actualisering van het regionale woningbouwprogramma moet vervolgens rekening worden gehouden met deze transformatieprojecten, ook als die daarvoor nog niet in overeenstemming waren met het regionale woningbouwprogramma.</p><p>o	Waar het gaat om het omzetten van de functies van gronden met niet-woongebouwen naar wonen binnen BSD en nabij HOV en deze omzetting cijfermatig niet past binnen het regionale woningbouwprogramma, gaat de provincie samen met de initiatiefnemende gemeente graag het gesprek aan met de regio om deze ontwikkeling in het regionale woningbouwprogramma op te nemen.</p><p></p><p>Naast de reguliere programmaruimte is er onder voorwaarden extra programmaruimte voor initiatieven met ‘Flexwoningen’. Dit met het doel om te bezien of het bieden van specifieke (programma)ruimte hiervoor ook daadwerkelijk gaat leiden tot extra ’Flexwoningen’.</p><p></p><p>Deze voorwaarden zijn:</p><p>o	Het gaat om nieuwe woningen, te weten (on)zelfstandige woningen of ‘woonunits’, die voor de duur van minimaal vijf jaar tijdelijk (= voor bepaalde duur) verhuurd worden conform de wettelijke regels;</p><p>o	De gemeente heeft de afspraken met de eigenaar of exploitant over het voorgaande in een overeenkomst vastgelegd;</p><p>o	De woningen moeten binnen vijf jaar opgeleverd worden (vanwege de actuele spanning op de woningmarkt);</p><p>o	In de Huisvestingsverordening moet bij het opleveren van de allereerste Flexwoningen opgenomen zijn dat het bepaalde in artikel 11.a. en 11.b. van de huisvestingswet 2014 van toepassing is.</p><p></p><p>Om een totaalbeeld van de stand van zaken van het regionale woningbouwprogramma mogelijk te maken, dient dit jaarlijks te worden geactualiseerd. Regionaal onderzoek naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van de woningvoorraad kan deel uitmaken van de voorbereiding tot actualisatie van de regionale woonvisie. De plannen voor ‘Flexwoningen’ moeten in het regionale woningbouwprogramma opgenomen worden (inclusief markering als ‘Flexwoning”), waarbij in een aanvullende projectbeschrijving ingegaan wordt op de wijze waarop aan bovenstaande voorwaarden is of wordt voldaan. Zodoende kan het aantal Flexwoningen dat voldoet aan de voorwaarden los worden gezien van de andere woningen in het woningbouwprogramma.</p><p></p><p>Het regionale woningbouwprogramma vormt ook de basis voor de periodieke actualisatie van de kaart in de verordening waarop de grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn aangegeven (3 hectare-kaart).</p><p></p><p>Bij het ontbreken van een actuele regionale woonvisie beoordeelt de provincie per plan of de behoefte voldoende is onderbouwd met toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale omgevingsbeleid. Wanneer er geen sprake is van een door de provincie (volledig) aanvaarde regionale woonvisie en/of vastgesteld woningbouwprogramma hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om zelf een woonvisie en/of een woningbouwprogramma vast te stellen.</p><p></p><p>De provincie heeft met een aantal gemeenten en regio’s bestuurlijke afspraken gemaakt over locatie, kwantiteit, kwaliteit en tempo van woningbouw. Dit neemt niet weg dat locaties waarvoor bestuurlijke afspraken met de provincie zijn gemaakt op het gebied van wonen moeten voldoen aan het provinciale omgevingsbeleid. Gewijzigde omstandigheden kunnen voor alle partijen aanleiding geven voor heroverweging. Een overzicht van deze afspraken is opgenomen in het omgevingsprogramma.</p><p></p><p>Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland</p><p>De meest actuele Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland is leidend voor het gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen. Dit onderzoek wordt periodiek geactualiseerd en bestaat uit enerzijds een raming van de gewenste woningvoorraadtoename en anderzijds een verkenning van de gewenste woningdifferentiatie van die woningvoorraadtoename op basis van toekomstvoorspellingen.</p><p></p><p>Monitoring</p><p>Om de realisatie van onze gezamenlijke beleidsdoelstellingen te kunnen volgen, is inzicht nodig in de ontwikkeling van de bestaande en toekomstige woningvoorraad en de onderwerpen die daar verband mee houden. Provincie, gemeenten en regio zijn gebaat bij een actueel woningbouwprogramma en een woningvoorraad die voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en passen bij de doelstellingen van de regionale en provinciale visies. Gemeenten registreren hun plannen in het provinciale digitale systeem Planregistratie-wonen. De provincie geeft met de Woonbarometer periodiek inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad. Waar de Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland ook vooruitkijkt, kijkt de Woonbarometer vooral terug. Voor de monitoring gaat de provincie regelmatig in overleg met de regio's over welke informatie en indicatoren relevant zijn en wie hiertoe gegevens kan leveren. Monitoring kan dan eventueel gezamenlijk worden opgepakt. Monitoring wordt gebruikt voor de context en duiding ofwel voor het bijsturen van beleid.</p><p></p><p>ToezichthoudenDe provincie is toezichthouder op uitvoering van de gemeentelijke taken op basis van de Huisvestingswet. Daarbij gaat het om toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten en om toezicht op de toepassing van de Huisvestingswet in het geval dat gemeenten een huisvestingsverordening vaststellen.</p>
</tekst>
</TekstObject>
</FeatureCollectionIMROPT>