4 Visie 2020

4.1 Inleiding

De visie tot 2020 wordt bepaald door het al bestaande ruimtelijk beleid met de langetermijnambities uit het vorige hoofdstuk te verweven. In dit hoofdstuk wordt dit uitgewerkt aan de hand van de vijf hoofdopgaven uit paragraaf 2.5:

  • Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel
  • Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie
  • Divers en samenhangend stedelijk netwerk
  • Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap
  • Stad en land verbonden

De laatste drie hoofdopgaven geven richting aan de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland. Hierin staan het evenwicht en de samenhang tussen het stedelijk netwerk, de Zuidvleugelgroenstructuur en het landelijk gebied centraal. Ook de langetermijnambities voor de eerste twee hoofdopgaven werken door in de visie voor 2020. De vijf hoofdopgaven zijn uitgewerkt in veertien provinciale belangen5. Deze belangen zijn voor de provincie Zuid-Holland leidend in het ruimtelijk beleid tot 2020.

5 De provinciale belangen zijn gebaseerd op de Nota Provinciaal Belang (PS 12 november 2008)



4.2 Sturen op functies en kwaiteiten

Tot dusver stond in het ruimtelijk beleid het ordenen van functies centraal. Actuele ontwikkelingen in de maatschappij, de langetermijnambities en de daarop gebaseerde provinciale belangen vragen inmiddels om meer. Naast het bieden van ruimte aan en het ordenen van functies richt de visie 2020 zich nadrukkelijk ook op ruimtelijke kwaliteiten. Functie en kwaliteit staan niet los van elkaar. Het is gangbaar om ruimtelijke kwaliteit (inclusief milieukwaliteit) uit te drukken in de begrippen gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde. Vooral bij de gebruikswaarde liggen functie en kwaliteit sterk in elkaars verlengde.

  • Gebruikswaarde staat immers voor het doelmatig en veilig gebruik van de ruimte voor verschillende functies. Hier lag van oudsher het accent van de ruimtelijke ordening.
  • Bij toekomstwaarde gaat het om duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit, maar ook om flexibiliteit in de tijd. Dit komt terug in de hoofdopgave Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie. Door toepassing van de lagenbenadering krijgt toekomstwaarde gestalte in het ruimtelijk beleid.
  • Belevingswaarde speelt een steeds belangrijker rol in de leefomgeving. Het gaat daarbij om cultureel besef, (ruimtelijke) diversiteit, variatie en betekenis. Ook gaat het om de menselijke maat, aanwezigheid van karakteristieke kenmerken (identiteit), beleefbaarheid van (cultuur)historie, schoonheid en verschillen in (stedelijke) dynamiek en (landelijke) rust. Vooral de belevingswaarde vraagt meer aandacht in het ruimtelijke beleid, uiteraard in samenhang met de gebruikswaarde en de toekomstwaarde.

Ruimtelijke kwaliteit kan alleen gedijen in samenhang met een sociaal-economisch gezond en duurzaam Zuid-Holland. Zo’n Zuid-Holland heeft aantrekkelijke woonmilieus, voldoende werkgelegenheid, een breed scala aan voorzieningen en goede milieuomstandigheden. Op die manier is de provincie aantrekkelijk voor inwoners, bedrijven en bezoekers.

De huidige belevingswaarde is niet altijd en overal positief. Verrommeling is inmiddels een bekend begrip geworden. Daarom krijgt het sturen op ruimtelijke kwaliteit een belangrijke plaats in deze visie; hooggewaardeerde kwaliteiten worden beschermd en versterkt, verrommeling wordt bestreden.

Ruimtelijke kwaliteit richt zich vooral op cultuurhistorische, landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten. Zuid-Holland legt de nadruk op een betere samenhang tussen stad en land en op ruimtelijke belevingswaarden als herkenbaarheid, gaafheid, rust en stilte. Zuid-Holland wil actief bijdragen aan het behoud en de versterking hiervan.

Sturen op ruimtelijke kwaliteit is sterk verbonden met de uitwerking op regionaal en gemeentelijk niveau. Daarin werkt de provincie graag samen met betrokken partijen en overheden. Zij ziet er daarnaast op toe dat ruimtelijke kwaliteit wordt meegewogen en verbeterd bij ruimtelijke ontwikkelingen. Betrokken partijen houden bij ruimtelijke ingrepen rekening met gebiedskenmerken als de ontwikkelingsgeschiedenis, schaal en maat, ruimtelijke opbouw, karakteristiek en verschijningsvorm en met de inpassing in de wijdere omgeving.

In deze structuurvisie kiest de provincie voor een tweeledige sturing, zowel op ruimtelijke functies als op ruimtelijke kwaliteiten. Dit komt tot uitdrukking in de provinciale belangen. Deze hebben betrekking op zowel functionele als kwalitatieve aspecten. Deze aspecten worden in beeld gebracht op een functiekaart en een kwaliteitskaart, die eenzelfde status hebben en elkaar aanvullen.



De functiekaart

De functiekaart geeft de gewenste ruimtelijke functies weer die in de structuurvisie zijn geordend, begrensd en vastgelegd als ruimtelijk beleid tot 2020. Zo biedt de kaart ruimte aan de diverse belangen in Zuid-Holland. De functiekaart is vergelijkbaar met de voormalige streekplankaarten. Locatie, omvang en begrenzing staan erop. Kortom, wat komt waar. De kaart stuurt in samenhang met de tekst. Daarbij gaat het om zowel ordening als ontwikkeling.



De kwaliteitskaart

Terwijl de functiekaart stuurt op het 'wat en waar', stuurt de kwaliteitskaart op het 'waar en welke'. Op de kaart zijn zowel de bestaande als de gewenste kwaliteiten benoemd op een globale, regionale schaal. De kwaliteitskaart toont de diversiteit van Zuid-Holland en brengt de ruimtelijke kwaliteiten van provinciaal belang in beeld. De kaart geeft vanuit een kwalitatieve invalshoek richting en randvoorwaarden aan de ordening en ontwikkeling van de ruimte in Zuid-Holland.

Voor het landelijk gebied zijn de ruimtelijke kwaliteiten weergegeven in landschapstypen en de belangrijkste cultuurhistorische kwaliteiten. In de landschapstypen komen alle relevante historische, landschappelijke en visueel-ruimtelijke kwaliteiten bijeen. Ze omvatten de ontstaansgeschiedenis, de ruimtelijke karakteristiek en de verschijningsvorm van een gebied. Zij geven daarmee richting aan toekomstige ontwikkelingen. De landschapstypen samen geven de landschappelijke diversiteit en structuur van Zuid-Holland weer. Bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten geven hier een extra dimensie aan en vragen daarom om goede bescherming. Andere toevoegingen op de kwaliteitskaart zijn bijvoorbeeld de stiltegebieden en de panorama's.
Voor het stedelijk gebied richt de kwaliteitskaart zich vooral op kwaliteitsaspecten als functie in stedelijk netwerk, dichtheid, bereikbaarheid, voorzieningenniveau, evenals cultuurhistorische kwaliteiten. Ook krijgt de gewenste samenhang tussen stad en land een plaats, bijvoorbeeld in de vorm van het groenblauwe netwerk.
De legenda van de functie- en kwaliteitskaart is in paragraaf 4.10 beschreven.



4.3 De ruimtelijke hoofdstructuur 2020

De ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland wordt gevormd door:

  • het stedelijk netwerk in het westen en midden van de provincie (paragraaf 4.7);
  • het landelijk gebied in het oosten, noorden en zuiden van de provincie (paragraaf 4.8);
  • de groenstructuur die het stedelijk en landelijk gebied verbindt, vooral de Zuidvleugelgroenstructuur (paragraaf 4.9).

Deze ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland laat de geomorfologische onstaansgeschiedenis en economische ontwikkelingsgeschiedenis zien. De steden die zich in de delta langs rivieren en kust hebben ontwikkeld, zijn uitgegroeid tot een stedelijk netwerk met ruim 6 miljoen inwoners: de Randstad Holland. De zuidelijke helft van de Randstad ligt binnen de grenzen van Zuid-Holland. Globaal is dit het gebied van de Zuidvleugel.

Waar de kustzone en het rivierengebied grotendeels zijn verstedelijkt, zijn het veengebied en de Zuid-Hollandse delta grotendeels landelijk gebleven. De kustzone combineert een aantrekkelijk stedelijk gebied met andere functies. Hier is ruimte voor recreatie en natuur. Daarnaast vormt de kust een zone die het achterland beschermt tegen overstromingen.

Via de drie gebiedsgerichte hoofdopgaven krijgen deze eenheden (het stedelijk netwerk, de Zuidvleugelgroenstructuur en het landelijk gebied) een uitwerking in het ruimtelijk beleid.
 


Kaart 4.3 Ruimtelijke hoofdstructuur 2020



4.3.1 Het stedelijk netwerk

Het stedelijk netwerk bestaat uit de samenhangende stedelijke agglomeraties die gekoppeld zijn aan het railnetwerk van bovenregionale openbaar vervoerlijnen6 van het Zuidvleugelnet. Het stedelijk netwerk is inmiddels omvangrijker dan het gebied van de Zuidvleugel. Het wordt gevormd door de volgende gebieden:

  • het gebied van de Leidse Regio
  • de zone Leiden - Alphen aan den Rijn
  • de Goudse regio en de Zuidplaspolder
  • de Stadsregio Rotterdam 
  • het Stadsgewest Haaglanden
  • de Drechtsteden
  • de Merwedezone
  • de greenport Westland/Oostland

De mainport Rotterdam en de greenport Westland-Oostland (inclusief de inliggende kernen) worden ook tot het stedelijk netwerk Zuid-Holland gerekend, omdat ze ruimtelijk onmiskenbaar onderdeel vormen van de stedelijke agglomeratie, ook al is er geen directe verbinding met het Zuidvleugelnet. Daarnaast is sprake van enkele middelgrote kernen die geen onderdeel uitmaken van een stedelijke agglomeratie, maar wel aan het Zuidvleugelnet zijn gelegen. Het betreft de kernen Leerdam, Bodegraven, Boskoop, Hillegom, Voorhout en Sassenheim. Deze kernen behoren tot het stedelijk netwerk Zuid-Holland. De overige kernen liggen in het landelijk gebied of in een provinciaal landschap.
De verstedelijkingsopgave wordt voor het overgrote deel gebundeld en geconcentreerd in het stedelijk netwerk. Binnen dit netwerk is sprake van een hiërarchie: Rotterdam en Den Haag vormen de economische en stedelijke zwaartepunten. Zij ontwikkelen zich in de context van de Zuidvleugel en de Randstad geleidelijk tot een samenhangende metropoolregio.
De samenhang in het stedelijk netwerk wordt gedragen door het (inter)nationale en regionale netwerk van spoor-, weg- en waterverbindingen. Op regionale schaal zorgt vooral het Zuidvleugelnet voor samenhang. Dit net is een belangrijke drager voor de verstedelijkingsopgave. Het Zuidvleugelnet vormt, met de Stedenbaan als ruggengraat, de belangrijke motor voor de ruimtelijke differentiatie in woon- en werkmilieus.

Ook de greenport Westland/Oostland is een economisch zwaartepunt. Het gebied wordt tot het stedelijk netwerk gerekend vanwege de ruimtelijke inrichting en de ligging in de stedelijke omgeving. Bovendien komen de opgaven voor de glastuinbouw in hoge mate overeen met die voor bedrijventerreinen: herstructurering, verbetering bereikbaarheid en ketenontwikkeling.

Zuid-Holland wil in het bestaande stedelijk gebied de verstedelijkingsopgave accommoderen en de interne samenhang verbeteren. Zo kan een aantrekkelijk en afwisselend stedelijk netwerk ontstaan dat kan inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Inzet is om deze afspraken in Zuidvleugelverband uit te werken. Binnen dit stedelijk netwerk vindt concentratie van stedelijke activiteiten op knooppunten van de verschillende netwerken plaats. De nadruk ligt op differentiatie in typen woon-, werk- en voorzieningenmilieus.

6 Dit is inclusief huidige busverbindingen die op termijn "verraild" worden



4.3.2 Verbinding stad en land; Zuidvleugelgroenstructuur

Zuid-Holland wil stad en land beter met elkaar verbinden door uit te gaan van het concept Zuidvleugelgroenstructuur. Binnen de invloedssfeer van het stedelijk netwerk gaat het om een samenhangend stelsel van landschappen, natuur- en recreatiegebieden, de grote eenheden stedelijk groen en groenblauwe verbindingen.

Zes waardevolle landschappen in deze groenstructuur krijgen de status provinciaal landschap. Deze status is bedoeld om de gebieden te beschermen én te ontwikkelen als recreatief aantrekkelijke en economisch duurzame landschappen met een inzet op verbrede landbouw en verbetering van de recreatieve kwaliteit. De gebieden zijn gekozen omdat de stedelijke druk hier groot is vanwege de inklemming tussen stedelijke gebieden. De ligging nabij de stad biedt kansen voor verbetering van de recreatiemogelijkheden voor veel inwoners. De provinciale landschappen vormen de basis voor de Zuidvleugelgroenstructuur en ze waarborgen voor een groot deel de balans tussen stad en land.
Deze basis wordt aangevuld met grote natuur- en recreatiegebieden nabij de stad. Deze gebieden krijgen de benaming 'regiopark'. Voorbeelden zijn de Delflandse Kust en het gebied van de Balij en het Bieslandse Bos. De groenstructuur wordt ten slotte gecompleteerd door een samenhangend netwerk van groenblauwe verbindingen en de grote eenheden stedelijk groen (zoals stedelijke parken, sport-en volkstuincomplexen, waarmee alle groengebieden in de stedelijke invloedssfeer, zowel binnen als buiten de stad, met elkaar verbonden zijn. Zie verder paragraaf 4.9.1.1.



4.3.3 Het landelijk gebied

De 'flanken' van de provincie maken deel uit van grote, provinciegrensoverschrijdende landschappen: de kust en de zee in het westen, het Groene Hart aan de oostzijde en de Zuid-Hollandse delta in het zuiden van de provincie.

In de grote landschappen wordt de nadruk gelegd op klimaatbestendigheid met de belangrijkste dragende functies: landbouw en natuur. De grote landschappen hebben ieder hun eigen ontstaansgeschiedenis en daarmee hun eigen kwaliteiten. Openheid, rust, stilte, duisternis en landschappelijke diversiteit zijn belangrijke kenmerken. Bescherming en ontwikkeling van deze landschappelijke kernkwaliteiten staan centraal.

Een belangrijke ambitie van de provincie in het landelijk gebied is het ontwikkelen van vitale en waardevolle landschappen en deze ook behouden. De leefbaarheid in het landelijk gebied is over het algemeen goed. Voor behoud van de sociale en economische vitaliteit van het landelijk gebied is het behouden van de bestaande hiërarchie van de kernen belangrijk, naast het bieden van ruimte voor gebiedsgebonden economische ontwikkeling, zoals landbouw, recreatie en toerisme. Bij toekomstige bevolkingsafname en voortschrijdende schaalvergroting in voorzieningen kunnen in de grotere kernen de basisvoorzieningen als huisarts, basisonderwijs en buurtwinkel, in stand worden gehouden. Dit is met name van belang in die delen van de provincie waar zich de eerste verschijnselen van bevolkingsafname reeds voordoen, zoals Goeree-Overflakkee en delen van het Groene Hart.
De grotere kernen zijn in het landelijk gebied als regionale centra aangeduid.
In delen van het Groene Hart staat de ontwikkeling van landbouw en natuur in het teken van afremmen van bodemdaling en zuinig omgaan met zoet water. In de Zuid-Hollandse delta gaat het vooral om balans vinden in een duurzame zoetwatervoorziening en deels herstellen van de estuariene dynamiek in de Deltawateren.

De greenports Bollenstreek en Boskoop maken deel uit van het landelijk gebied. In functioneel opzicht delen zij een aantal opgaven, die voor bedrijventerreinen en de greenport Westland/Oostland in het stedelijk netwerk gelden. Dit zijn een goede bereikbaarheid en mogelijkheden voor nieuwe productietechnieken realiseren door een nieuwe ruimtelijke inrichting via herstructurering. Dit alles dient bij te dragen aan verbetering van de landschappelijke kernkwaliteiten van deze werklandschappen in het landelijk gebied.



4.4 Opgaven tot 2020

4.4.1 Kwantitatieve opgaven

Een deel van de ruimtelijke opgaven is te vertalen naar kwantitatieve opgaven. Deze opgaven zijn naast de ruimtelijke structuur en sturen op ruimtelijke kwaliteit een belangrijk uitgangspunt voor de visie tot 2020. De volgende tabellen geven het overzicht van de kwantitatieve opgaven voor de verschillende ruimtelijke gebruiksfuncties in Zuid-Holland voor de periode 2010-2020, waarop de visie is gebaseerd. Deze opgaven zijn het resultaat van onderzoek en zij zijn vastgelegd in diverse bestuurlijke afspraken. Via bebouwingscontouren en afspraken zijn kaders geschetst waarbinnen gemeenten de opgaven realiseren. De cijfers laten zien dat er in de komende tien jaar nog een grote vraag naar ruimte is. Deze verschilt overigens per regio.



Wonen

De woningbouwprogramma's in Zuid-Holland zijn binnen de bestuurlijke kaders van Zuidvleugel, Groene Hart en Zuid-Hollandse delta gemaakt.



Wonen in de Zuidvleugel

Het nieuwbouwprogramma voor de Zuidvleugel voor de periode 2010-2020 telt 115.000 woningen. Naast de nieuwbouw is een vervanging van 60.000 woningen afgesproken. Dat betekent een bruto woningproductie van 175.000 woningen.
Het overgrote deel (80 procent) van dit programma van 175.000 woningen wordt op basis van een gezamenlijk afgesproken verstedelijkingsstrategie binnen bestaand stedelijk- en dorpsgebied 2010 (BSD 2010) gebouwd. Een groot deel daarvan kan binnen BSD-2010 worden gerealiseerd via het concept Stedenbaan en langs het Zuidvleugelnet. Het programma voor de Zuidvleugel en de verdeling over de regio's is in de volgende tabellen uitgewerkt.

Regio Productie
Holland Rijnland 18.200*
Haaglanden 65.300
Stadsregio Rotterdam 65.000
Drechtsteden 12.000
Zuidplaspolder en Gouda 14.500
   
Totaal Zuidvleugel 175.000**

* Exclusief 5.000 woningen ten behoeve van de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer Bollenstreek in de periode 2010-2020
** De totale productie betreft een bruto woningproductie inclusief compensatie van onttrekkingen, waarvan 140.000 binnen BSD2010

Programma Stedenbaan:

Regio Aantal woningen Aantal m2 kantoren
Holland Rijnland 2.500-6.000 70.000-180.000
Midden-Holland 2.500-6.000 35.000-120.000
Stadsgewest Haaglanden 10.000-20.000 315.000-660.000
Stadsregio Rotterdam 7.500-14.000 245.000-480.000
Drechtsteden 2.500-6.000 35.000-120.000
     
Totaal 20.000-52.000 700.000-1.560.000

 



Wonen in het Groene Hart

Met het Rijk is afgesproken dat het in het gehele Groene Hart gaat om 35.700 netto toe te voegen woningen in de periode 2004 tot 2020. Dit betekent voor het Zuid-Hollandse deel een toename van de voorraad van 26.600 woningen in de periode 2004-2020. De Groene Hartprovincies monitoren jaarlijks gezamenlijk de woningbouw- en economische ontwikkeling in het gebied.



Wonen in de Zuid-Hollandse delta

Voor de Zuid-Hollandse delta zijn de woningbouwaantallen gebaseerd op eigen behoefte gebaseerd op migratiesaldo nul. Voor de Zuid-Hollandse delta is met het Rijk voor de Hoeksche Waard in de periode 2005-2020 een programma van netto 3.250 woningen afgesproken (exclusief de extra woningen voor Cromstrijen, door de verplaatsing van TNO naar deze regio). Voor Goeree-Overflakkee geldt een programma van netto 2.100 woningen in deze periode.



Werken / Bedrijvigheid

De vraag naar het areaal bedrijventerreinen is gebaseerd op een combinatie van het Transatlantic Market (TM) scenario en het Global Economy (GE) scenario uit de Welvaart en Leefomgevingstudie van de planbureaus. Voor de economische motoren greenport en mainport is het GE-scenario uitgangspunt, in het overige gebied het TM-scenario. De uitbreidingsbehoefte is gebaseerd op een inventarisatie van de plannen voor bedrijventerreinen, rekening houdend met compensatie voor te transformeren bedrijventerreinen en mogelijke ruimtewinst bij nieuwe en te herstructureren bedrijventerreinen. Door het toepassen van de SER-ladder zal een deel van de bedrijven gevestigd worden op de bestaande bedrijventerreinen.

Dit geeft voor Zuid-Holland het volgende beeld voor 2008 - 2020:

  uitbreidingsbehoefte
Autonome vraag 1.228 ha
Transformatie* 320 ha
Strategische reserve** 377 ha
Saldo vraag 1.925 ha
Saldo na 10 procent ruimtewinst 1.732 ha

* Transformatie (uitvoeringsprogramma Ruimte voor Economie) 320 ha
** 4 jaar

In de streekplannen was al rekening gehouden met deze ruimtebehoefte. In het uitvoeringsprogramma Ruimte voor Economie staat hoe Zuid-Holland de behoefte aan bedrijventerreinen bepaalt.



Glastuinbouw

De behoefteraming voor de glastuinbouw tot 2020 is eveneens gebaseerd op afspraken met de regio, waarbij het beleid van verdergaande concentratie in de greenports als uitgangspunt geldt. Het behoud van de positie van Zuid-Holland in de internationale glastuinbouw vraagt om een kwantitatieve benadering7 en een kwalitatieve benadering. In de Zuidplaspolder is rekening gehouden met 200 hectare voor nieuw duurzaam glastuinbouwgebied. Daarnaast is circa 80 hectare glastuinbouw als transformatiegebied aangemerkt. Binnen Zuid-Holland wordt gezocht naar een nieuwe glastuinbouwlocatie (2020). Buiten op de functiekaart aangegeven glastuinbouwbedrijvengebieden en de glastuinbouwgebieden, is er een forse saneringsopgave.

Glastuinbouw Nieuw duurzaam glastuinbouwgebied t.b.v. Zuid-Hollandse Greenports Circa 650 hectare waarvan maximaal 400 hectare binnen Zuid-Holland
  Planologisch verankerde nieuwe locaties Zuidplaspolder totaal circa 200 hectare
  Heroverweging transformatiegebieden 100 hectare
Herstructureren greenports Westland-Oostland 2850 hectare
  Boskoop 309 hectare
  Bollenstreek 950 hectare8
Saneren verspreid glas TOTAAL
In prioritaire projecten
In overige projecten

437 hectare
236 hectare
191 hectare (na 2011)

7 Doelstelling in de periode tot 2011 is een netto teeltareaal van 5800 ha
8 Dit betreft zowel bollengrond als glas



Groen

De groenopgave tot 2020 is zowel gebaseerd op bestaande afspraken tot 2013, ILG, als op het besef dat er ook na 2013, vooral in het stedelijke netwerk, nog grote recreatieve tekorten aanwezig zijn. De ruimtebehoefte voor recreatieve functies is gebaseerd op een behoefteonderzoek. Deze ruimte zal de provincie tot 2020 vooral zoeken in de provinciale landschappen en de Zuidvleugelgroenstructuur. Recreatie en andere ruimtelijke gebruiksfuncties worden gecombineerd.
De uitbreiding van de Ecologische Hoofdstructuur is omvangrijk. Het gaat hier om de ontwikkeling en inrichting van nieuwe natuurgebieden en de combinatie van de functie natuur met andere functies zoals waterberging en landbouw.



Water

De ruimtevraag voor waterberging neemt toe. De ruimtelijke reserveringen tot 2015 zijn uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan 2015 en zijn indicatief opgenomen in deze structuurvisie op de functiekaart. Deze gebieden liggen vooral in de overgang tussen stedelijk en landelijk gebied.



Infrastructuur tot 2020

Tot 2020 wil de provincie de infrastructuur versterken, bijvoorbeeld het openbaar vervoer. Dit is niet in hectares uit te drukken. Voor de aanleg van nieuwe wegen is een aantal reserveringen opgenomen. Deze staan op de functiekaart en zijn uitgewerkt in de hoofdopgave 'Divers en samenhangend stedelijk netwerk 2020'. In bijlage 6.2 is het overzicht van het verkeers- en vervoersprogramma opgenomen.


Figuur: 4.4.1 Ruimtelijke opgaven

Tot 2020 wil de provincie de infrastructuur versterken, bijvoorbeeld het openbaar vervoer. Dit is niet in hectares uit te drukken. Voor de aanleg van nieuwe wegen is een aantal reserveringen opgenomen. Deze staan op de functiekaart en zijn uitgewerkt in de hoofdopgave 'Divers en samenhangend stedelijk netwerk 2020'. In bijlage 6.2 is het overzicht van het verkeers- en vervoersprogramma opgenomen.



4.4.2 Transformatieopgaven

Op de functiekaart zijn de gewenste functies vastgelegd. Voor een aantal gebieden is functieverandering (transformatie) gewenst, maar is de eindfunctie nog niet volledig duidelijk. Dit betekent dat over de richting van de functieverandering wel globale duidelijkheid is en bestuurlijke overeenstemming bestaat, maar over de precieze omvang, locatie en inrichting nog niet. Deze gebieden zijn op de functiekaart aangeduid met de bestaande functie met daarover een arcering als transformatiegebied, die aangeeft dat het gebied binnen de planperiode geheel of grotendeels een andere functie krijgt. Voor elk transformatiegebied geldt een eigen ontwikkel- en inrichtingsopgave, die gepaard gaat met een aantal randvoorwaarden vanuit de provinciale belangen. Gemeenschappelijk belang is de versterking van kwaliteit van het stedelijk gebied of van het landelijk gebied. De transformatiegebieden liggen in stedelijke gebieden en daarbuiten. Hierna zijn per transformatiegebied de opgaven, voorwaarden en provinciale belangen toegelicht.



Transformatie in het stedelijk gebied

Diverse locaties in en nabij stedelijk gebied zullen in de planperiode een andere functie krijgen. Dit past bij de ambitie voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat zoals de hoogstedelijke transformatieopgaven: herontwikkeling van Den Haag- Binckhorst, Den Haag-Laakhaven, De Delftse Spoorzone en Rotterdam Centraal. Binnenstedelijke transformatie richt zich vooral op de herontwikkeling naar gemengd stedelijk gebied. Dit gaat gepaard met een meer intensieve benutting van de ruimte waarbij rekening wordt gehouden met de ligging ten opzichte van het openbaar vervoernetwerk. Aan de rand van de steden gaat het vooral om het combineren van stedelijke functies met recreatieve en groene functies. De transformatiegebieden in het stedelijk gebied zijn:



Transformatiegebied in het havengebied Rotterdam

Als de kavels op de Tweede Maasvlakte worden uitgegeven ontstaat ruimte voor een herverkaveling van het haven en industriecomplex. Er vinden verschuivingen van functies plaats, onder andere binnen Stadshavens en het Waterfront Schiedam. Deze gebieden worden getransformeerd naar beoogde gemengde, stedelijke woonwerkmilieus in delen van het havengebied. Bij de transformatie is het voor de provincie belangrijk dat de ontwikkeling bijdraagt aan de bundeling van verstedelijking, infrastructuur, voorzieningen en economische activiteiten gericht op concentratie, waarbij rekening wordt gehouden met kwalitatieve vraagontwikkelingen op de regionale woningmarkt en het versterken van de mainportfunctie.



Binckhorst (Den Haag)

Bedrijventerrein Binckhorst is een gemengd bedrijventerrein, waar enkele watergebonden bedrijven gevestigd zijn. Het gaat in dit kader om het afvaloverslagstation van de AVR en om twee beton-metselzandcentrales. Er wordt naar gestreefd om deze bedrijven te verplaatsen. De Binckhorst wordt getransformeerd naar gemengd stedelijk gebied, waar een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voorop staat. Het Stadsgewest Haaglanden werkt aan een locatieonderzoek voor de uit de Binckhorst uit te plaatsen milieuhinderlijke en watergebonden bedrijvigheid. Hierbij geldt het provinciaal belang om voldoende aanbod aan bedrijventerreinen in milieucategorie 4 en hoger te houden.



Vlietzone

De Vlietzone heeft een belangrijke positie in de schakeling stad – land, als onderdeel van de corridor Vlietlanden – Midden-Delfland en als uitloop- c.q. groengebied van het stedelijk gebied Haaglanden. Een deel van de Vlietzone is ook onderdeel van de verbinding van de kust naar het Groene Hart. De Vlietzone blijft zo groen mogelijk. De Vlietzone levert een bijdrage aan het inlopen van het tekort aan ruimte voor recreatie en groene rond het stedelijk gebied. Hier komt het karakter van Haaglanden tot uiting: een gebied waarin dynamische stedelijke gebieden en rustige woon- en recreatiegebieden op korte afstand van elkaar te vinden zijn. Het gebied wordt ontwikkeld tot een robuust, (openbaar) toegankelijk en aantrekkelijk gebied voor groen, natuur, recreatie, landgoederen en sport, (recreatief) verbonden met Midden-Delfland en Vlietlanden (Zweth-Vlietzone), voorzien van een daarbij passende stedelijke ontwikkeling, ontdaan van verrommeling en met een terughoudend ingepaste infrastructuur. Een en ander zal worden uitgewerkt in een integrale gebiedsvisie, op te stellen door Den Haag in samenwerking met de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Rijswijk.



Erasmuszone Wateringen

De Erasmuszone ligt binnen de bebouwingscontour en bestaat gedeeltelijk uit verouderd glas. Dit gebied wordt binnen de planperiode getransformeerd naar stads- en dorpsgebied met voldoende breed scala aan woonmilieu's.



Rijswijk Zuid

Rijswijk-Zuid wordt in de komende twintig jaar getransformeerd naar een gebied voor wonen en werken in een duurzame groenblauwe structuur. Het ligt voor de hand om te starten bij het deelgebied Sion, omdat daar de invloed van DSM het kleinst is. In de komende jaren wordt met alle betrokken partijen een intensief traject doorlopen, dat moet leiden tot meer duidelijkheid over hoe de ontwikkeling vormgegeven kan worden.



Schieoevers Delft

Het gebied Schieoevers is een verouderd bedrijventerrein dat getransformeerd wordt naar een gemengd stedelijk gebied met wonen, werken en voorzieningen, gekoppeld aan de Schie. Dit is overeenkomstig het regionaal structuurplan Haaglanden.



Merwedezone

In de Merwedezone, gelegen op de grens van het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad, de Betuweroute en de A15, vindt komende jaren herstructurering en transformatie plaats (Transformatievisie Merwedezone). Het gezamenlijke toekomstbeeld voor de Merwedezone omvat een waterrijk groengebied ten noorden van de Betuweroute, herstructureren van bedrijventerreinen en intensiveren van bebouwing bij de bestaande en nieuwe haltes van de Merwede-Lingelijn. Er zijn ook gebieden benoemd waar mogelijk na 2015 verstedelijking kan plaatsvinden, als daar tegen die tijd behoefte aan is en er geen ruimte meer is binnen de kernen. Het betreft de gebieden 'het Oog' tussen Hardinxveld-Giessendam en de Betuweroute en Papland ten noorden van Gorinchem. Deze zijn als transformatiegebieden op de kaart aangegeven.



Oostpoort Dordrecht

De huidige aanduiding van het gebied Oostpoort is HMC bedrijventerrein, gelegen aan vaarwater. Het gebied is al enige jaren niet in gebruik als bedrijventerrein. De gemeente Dordrecht heeft gezien de gunstige ligging van de locatie het voornemen om leisure activiteiten in de Oostpoort te ontwikkelen. Met de transformatieaanduiding wordt deze ontwikkeling mogelijk gemaakt. Voorwaarden vanuit het provinciale belang zijn dat het HMC terrein wordt gecompenseerd en dat de ontwikkeling geen beperkingen mag opleggen aan de omliggende bebouwing.



Transformatie in glastuinbouwgebied

Aar- en Amstelzone, Lansingerland en in Nieuwerkerk-Noord

In enkele glastuinbouwgebieden zijn locaties aangeduid waar het gewenst is dat het ruimtegebruik in de planperiode geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd. In veel van deze gebieden is sprake van een verrommeld beeld en/of verouderde (glas)opstallen. De transformatie is gericht op verbetering van de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied. Veelal gaat het daarbij om ontwikkeling naar woningbouw, groen en/of water. Daarnaast is in sommige gebieden gedeeltelijke herstructurering van gezonde glastuinbouwbedrijven mogelijk. In deze transformatiegebieden glas is de regeling Ruimte voor Ruimte toepasbaar. Bij de transformatie van deze gebieden staan voor de provincie belangen centraal: 

  • Versterken van de greenports: naast transformatie van glas is in andere glastuinbouwgebieden sprake van herstructurering en duurzame ontwikkeling , verdergaande concentratie in greenports en glastuinbouwgebieden en behoud van het areaal voor glastuinbouw;
  • Verbeteren van de belevingswaarde en vermindering verrommeling van het landschap;
  • Voor de gebieden gelegen in de Zuidvleugelgroenstructuur geldt daarnaast ook het versterken van de recreatieve functie.


Transformatie in overige gebieden, Zuidplaspolder

Gouwe Knoop, Waddinxveen-Noordwest en Ringvaartdorp

Deze gebieden maken deel uit van de integrale ontwikkeling van de Zuidplaspolder.
De transformatie in het gebied Gouweknoop moet leiden tot een mix van functies. Het betreft in de eerste plaats bedrijvigheid en voorzieningen om het gebied tot een economische knoop te maken. In de tweede plaats zal ook de functie wonen daar aan bod komen.

De transformatie in het gebied Waddinxveen-Noordwest is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling tot glastuinbouwbedrijvengebied voor het geval dat er in de Zuidplaspolder onvoldoende ruimte voor deze functie is gerealiseerd. Mocht een dergelijke transformatie niet nodig zijn dan is een functiewijziging naar wonen ook te overwegen. Dit vooral gezien de ligging van het gebied nabij het Bentwoud. Het bedrijventerrein Noordkade in Waddinxveen is als transformatiegebied aangegeven. De bedrijventerreinprogrammering voor de regio biedt in principe voldoende mogelijkheden voor de uit te plaatsen bedrijven.

De transformatie op de locatie Ringvaartdorp betreft ontwikkeling tot woningbouwgebied, in aansluiting op het transformatiegebied Nieuwerkerk-Noord. Voor Ringvaartdorp moet nog een uitwerking worden opgesteld. Deze kan niet los worden gezien van de ontwikkeling van de woningvraag in de Zuidvleugel. Zie verder paragraaf 5.6 4.



4.5 Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel

Zuid-Holland wil in 2020 de goede woon-, werk- en leefomgeving voor haar inwoners verder hebben gebracht. Versterken van de economische positie staat daarbij centraal en daarbij spelen de economische topclusters een belangrijke rol: Rotterdam, Den Haag, en de greenports Westland/Oostland, Boskoop en Bollenstreek. De versterking van deze clusters heeft effect op de totale economische ontwikkeling van Zuid-Holland.
Voor de gehele provincie geldt dat de focus ligt op het behouden, maar vooral ook aantrekken van werkgelegenheid en bedrijvigheid die past bij de verschillende gebieden.



4.5.1 Behouden en aantrekken van bedrijvigheid en werkgelegenheid

Binnen het provinciaal belang van “Behouden en aantrekken van bedrijvigheid en werkgelegenheid met accent op kennisontwikkeling en handel” onderscheidt Zuid-Holland de volgende ambities:

  • Mainport (Rotterdam).
  • Internationale stad van vrede, recht en veiligheid (Den Haag). 
  • Greenports (Westland/Oostland, Bollenstreek en Boskoop) versterken, herstructureren en duurzame ontwikkeling van glastuinbouwgebieden en verdergaande concentratie in greenports en glastuinbouwgebieden.
  • Energie, water- en deltatechnologie (Delft en Rotterdam).
  • Life & healthsciences cluster (Leiden en Rotterdam).
  • Versterken kenniseconomie vanuit universiteiten en kennisinstituten (Leiden, Delft, Rotterdam en Noordwijk).

Het provinciaal belang voor het aantrekken van bedrijvigheid en werkgelegenheid is benaderd vanuit de grote economische clusters van Zuid-Holland. Kennisontwikkeling krijgt daarin een steeds belangrijkere rol. De kennisclusters zijn vaak ruimtelijk geconcentreerd. De ontwikkeling van deze clusters staat niet op zichzelf en hangt samen met de economische ontwikkeling van de gehele provincie. Ze zijn afhankelijk van het vermogen van bedrijven en instellingen om te innoveren. Een gevarieerde economische structuur met sterk aan elkaar gerelateerde sectoren bevordert dan ook de concurrentiekracht van Zuid-Holland. Een cultuur van samenwerking, kennisuitwisseling en openheid voor nieuwe ideeën versterkt die kracht.



4.5.1.1 Mainport Rotterdam - Wereldhaven-Wereldstad

De mainport Rotterdam is een complex van industrie, handel, transport en logistiek, gevestigd op het haven- en industriegebied langs de Nieuwe Waterweg, Oude Maas, Merwede en Dordtsche Kil. De provincie heeft de ambitie om de vestigingsfactoren van bedrijven en organisaties die bijdragen aan de mainportfunctie, verder te ontwikkelen.
Het 'bedrijventerrein mainport' omvat het aaneengesloten bebouwd gebied met als hoofdfunctie water- en havengebonden bedrijvigheid, veelal in de hogere milieucategorieën, met productie, opslag, transport en distributie, nutsvoorzieningen, evenals de hieraan verbonden kantoorfuncties in het haven- en industriegebied van Rotterdam en de Drechtsteden.
Binnen deze aanduiding moet alle aan de mainport gerelateerde bedrijvigheid een locatie kunnen vinden. Ruimte daarvoor kan nog gewonnen worden door verouderde complexen te herstructureren en verwante activiteiten te clusteren. Nieuwe ruimte voor mainportactiviteiten komt beschikbaar na realisering van de Tweede Maasvlakte.

Het cluster mainport Rotterdam zelf is groter dan het op de functiekaart als 'bedrijventerrein mainport' aangegeven gebied. Binnen de aangrenzende stedelijke gebieden in Vlaardingen, Schiedam, Rotterdam, Drechtsteden en de Merwedezone vinden tal van activiteiten plaats die gerelateerd zijn aan de mainportactiviteiten. Voorbeelden hiervan zijn het maritiem complex in de Drechtsteden-Merwedezone (binnenvaart, baggercluster en deltatechnologie) en het handelscentrum en internationale zakencentrum in Rotterdam.
Het hele gebied van de mainport geldt als gebied voor bedrijven uit de hogere milieuhinder categorie (HMC). Een interne milieuzonering binnen dit gebied moet ruimte bieden aan activiteiten die gerelateerd zijn aan de regie- en creativiteitsfunctie van de mainport, waaronder hoogwaardige kantoren, onderzoeksinstituten, campusvorming.



4.5.1.2 Den Haag, internationale stad van vrede, recht en veiligheid

Het regeringscentrum Den Haag heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste vestigingsplaatsen voor internationale instituten op het gebied van vrede, recht en veiligheid. Deze centrumfunctie wordt gestimuleerd door verdere ontwikkeling van het hoogstedelijk centrum met hoofdkantoren, kennisinstituten, topcultuur, voorzieningen en toerisme. In Den Haag staat de functie woon- en werkstad voor hoogopgeleide werkers voorop. De ligging aan de kust en de nabijheid van Scheveningen en Kijkduin zijn hierbij een belangrijk gegeven. De woonmilieus worden ook op deze specifieke doelgroepen gericht. In dat kader verricht Den Haag studie naar ontwikkelingsmogelijkheden van Kijkduin en de Vlietzone. Voor de Vlietzone gelden specifieke randvoorwaarden vanwege de groene en culturele kwaliteiten (landgoederen) van het gebied. Deze zijn van provinciaal belang. Voor Kijkduin en Scheveningen dient rekening gehouden te worden met de nabijgelegen Natura2000-gebieden. Voor de functie als conferentiestad is een snelle comfortabele aansluiting op het internationale netwerk essentieel. Het gaat daarbij om de verbindingen met de hogesnelheidslijn, Schiphol, Rotterdam/The Hague Airport enzovoort. De stad werkt met de internationale ring Den Haag ook aan een snelle afwikkeling van het congresverkeer en toeristische verkeer.



4.5.1.3 Greenports

De ambitie voor de greenports in 2040 heeft effect op de ruimtelijke ontwikkeling van Zuid-Holland tot 2020. De grootste ruimtelijke opgave tot 2020 is verbetering van het bestaande greenportareaal. De samenhang in het ruimtegebruik binnen de greenports staat hierbij centraal. Intensiveren, innoveren en herstructureren staan voorop, pas daarna volgt uitbreiding met eventuele nieuwe locaties. Voor de situering zie ook kaart 2 van de Verordening.



Greenport Westland/Oostland (onderdeel van het stedelijk netwerk)

De greenport Westland/Oostland is onderdeel van het stedelijk netwerk, ook economisch. De glastuinbouw in het Westland/Oostland heeft een stedelijk voorkomen en bestaat uit vier deelgebieden: locaties rond Pijnacker, in Lansingerland en de Zuidplaspolder (samen het Oostland) en het Westland. Ook het veilingcomplex Barendrecht behoort bij de greenport Westland/Oostland. Door herstructurering en intensivering van het bestaande areaal moet dit economische cluster zich verder ontwikkelen. Dit gebeurt met een goede ruimtelijke inpassing via een robuuste groen- en waterstructuur. Binnen de greenport Westland/Oostland is er behalve ruimte voor glasopstanden ook ruimte voor direct aan de greenport verbonden functies. Dit gaat bijvoorbeeld om toeleveringsbedrijven, handelscentra en kennisinstituten. Deze moeten zich primair op de in de regio aanwezige bedrijventerreinen vestigen. Daarnaast is bij stapeling met glastuinbouw ook de vestiging van deze bedrijven in het gebied greenport Westland/Oostland mogelijk. Op de functiekaart is deze greenport aangegeven als: glastuinbouwbedrijvengebied.

Vooral de Zuidplaspolder biedt ruimte voor nieuwe glastuinbouw. In totaal wordt daar 200 hectare nieuw glas ontwikkeld en 80 hectare ontwikkeld als compensatie voor sanering van glas elders in de Zuidplaspolder. Ook in Lansingerland is nog ruimte voor glastuinbouw.

De Rotterdamse haven is van groot belang voor de handel en logistiek van de greenport Westland/Oostland. De Waal- en Eemhaven zijn met Barendrecht (vervoer over spoor, water en weg) steeds belangrijker knooppunten voor groente en fruit. De positie in het stedelijk netwerk van de greenport en daarmee de relatie met de steden is van belang om over voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten te beschikken.



Greenport Bollenstreek (landelijk gebied)

Voor de greenport Bollenstreek is het beleid gericht op behoud en versterking van het bollencomplex met een duurzame, ruimtelijke kwaliteit. Dit bollencomplex (teelt en handel) is niet alleen van groot economisch belang, het is ook de drager van de landschappelijke, recreatieve en toeristische functies. Binnen de greenport ligt de toeristische trekker Keukenhof en de Bollenstreek zelf geldt als topgebied cultureel erfgoed. Op de functiekaart is deze greenport aangeduid als: agrarisch landschap-bollenteelt.

Om de greenport te laten functioneren is behoud van het bollenteeltareaal van belang. Om dit behoud te kunnen combineren met andere belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen zoals beschreven in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek is door de regio een regeling uitgewerkt. Deze
compensatieregeling bollengrond is beschreven in bijlage 6.3.

Naast behoud van het bollenteeltareaal is ook van belang om ruimte te bieden aan teelt onder glas en bedrijvigheid die aan de bollenteelt is gebonden. Voor schaalvergroting van bollenbedrijven moet ruimte komen door aan bollenteelt gerelateerde glastuinbouwlocaties te herstructureren, verspreid gelegen glasopstanden te verplaatsen naar glastuinbouwgebieden en leegstaande en vrijkomende bebouwing te saneren. Voor het aan de bollenbedrijven gebonden (ondersteunend) glas in de verordening een aparte regeling opgenomen (artikel 4 lid 6). Herinrichting om de productieomstandigheden te verbeteren moet gepaard gaan met verbetering van de landschappelijke kwaliteit binnen het bollenteeltareaal. Samen met clustering van de glasopstanden wordt gewerkt aan de waterhuishouding in de richting van zelfvoorzienendheid van water, zoals beschreven bij greenport Westland/Oostland.

Voor de bloembollen is Lisse het handelscentrum, daar zijn de twee grote bloembollen-bemiddelingsbureaus gevestigd. Het internationale bloembollentransport is met name georiënteerd op de Rotterdamse haven. Voor de bloemen en planten zit het handelscentrum in Rijnsburg waar een grote bloemenveiling is gevestigd. Vanuit Rijnsburg is er een oriëntatie op de greenports Aalsmeer en Boskoop en op Schiphol. De ontsluiting van de greenport moet erop zijn gericht beide oriëntaties te behouden.



Greenport Boskoop (landelijk gebied)

De greenport Boskoop ligt in het Groene Hart op de overgang van stad en land en heeft een verdicht karakter. Op de functiekaart is deze greenport aangeduid als: agrarisch landschap – boom- en sierteelt. Het is een uniek landschap van sierteelt en boomteeltbedrijven en maakt deel uit van het topgebied cultureel erfgoed Boskoop/Reeuwijk Dorp. Het oorspronkelijke landschap van de veenontginningen wordt hier volledig bepaald door de boom- en heesterkwekerijen. Het teeltgebied kent smalle kavels en relatief veel sloten (veenontginning). Lintbebouwingen zijn integraal onderdeel van het sier- en boomteeltgebied. Bijzondere elementen in het gebied zijn de houtakkers in het oude deel en de vaarsloten in de Riethoornse polder. Van belang is ook de landschappelijk markante overgang van sier- en boomteeltgebied naar de droogmakerij Middelburg-Tempelpolder, die bij herstructurering moet worden behouden of versterkt.

Binnen de greenport zijn nieuwe teeltmethoden in ontwikkeling en wordt de handelsfunctie nog sterker. Een deel van de bedrijven gaat over van vollegrondsteelt naar de niet van volle grond afhankelijke (footloose) pot- en containerteelt. De greenport Boskoop heeft in het teeltgebied al geruime tijd te maken met zilte kwel, verzilting van oppervlaktewater en zoetwatertekort. Terwijl er voor sierteelt juist een grote vraag is naar schoon en zoet water. Beide aspecten zijn mede aanleiding voor de herstructurering die in gang moet worden gezet. Nieuw te ontwikkelen sier- en boomteeltlocaties (volle grondteelt en pot- en containerteelt) en bestaande te herstructureren sier- en boomteeltlocaties moeten voldoen aan de randvoorwaarden van het Provinciaal Waterplan. Dit betekent onder meer dat, wanneer voor het waterbeheer ruimtevragende voorzieningen nodig zijn, deze binnen de greenport gerealiseerd moeten worden. Daarnaast gaat het ook om een betere ontsluiting van het gebied; de aanleg van een westelijke randweg is daarbij belangrijk.
Met de herstructurering wordt gestreefd naar een aantrekkelijk werklandschap waarbinnen het internationaal belang van deze greenport zich verder duurzaam kan ontwikkelen en verrommeling van het landschap wordt tegengaan. In het oude al karakteristieke teeltgebied wordt ingezet op de hoogwaardige gespecialiseerde productie.

De greenport Boskoop clustert handel en logistiek steeds meer op het westelijke deel van de greenport. Het meest intensieve onderdeel van de greenport is de concentratie van kennis, handel en intensieve, niet grondgebonden productie op het pot- en containerteeltterrein (PCT). Onderdeel van de herstructurering kan betekenen dat er, voor behoud van de greenportfunctie, ruimte komt voor de meer intensieve pot- en containerteelt. Dit is mogelijk door het PCT-complex in de planperiode uit te breiden in westelijke richting tot aan de Middelweg (functiekaart)9. Voor dit PCT-terrein geldt dat vestiging van glastuinbouw alleen voor sierteeltbedrijven mogelijk is; en wel tot 50 procent van de bedrijfsgrootte. Voor de overige teeltgebieden binnen de greenport is in de verordening een eigen glasregeling opgenomen (artikel 4, lid 4).

Daarmee kan tevens inhoud gegeven worden aan de landschappelijke opwaardering van de greenport. Met name door in het oorspronkelijk al karakteristieke landschap het accent meer dan nu te leggen op hoogwaardige en duurzame open grondteelt in een aantrekkelijke omgeving. Bij deze greenport ontstaat een steeds hechtere band met de greenports Westland/Oostland en Bollenstreek en Aalsmeer.

9 Aangeduid als: boom- en sierteeltgebied PCT-terrein



4.5.1.4 Glastuinbouw buiten de greenports

Buiten de greenports zijn er in Zuid-Holland nog meer gebieden voor glastuinbouw. Deze concentratiegebieden zijn op de functiekaart aangeduid als glastuinbouwgebieden. De glastuinbouwgebieden zijn uitsluitend bestemd voor de vestiging van gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven. De bedrijven zijn veelal verbonden met de Zuid-Hollandse greenports of aan Aalsmeer. Het gaat vooral om gebieden in de noordrand van de provincie bij Nieuwkoop, Roelofarendsveen, Lisse en Rijnsburg. In het zuiden, op Voorne, liggen de glastuinbouwgebieden Tinte en Vierpolders bij Brielle. Al deze glastuinbouwgebieden zijn in het landelijk gebied gelegen en dragen bij aan de economische vitaliteit daarvan.



Glastuinbouwgebied Tinte

Het glastuinbouwgebied ten noorden van Tinte, gelegen in de gemeenten Westvoorne en Brielle, geldt als intensiveringsgebied. In dat gebied is toevoeging van glas mogelijk, indien daar in gelijke mate sanering van verspreid glas in de gemeente Westvoorne tegenover staat. De gemeente heeft in overleg met de stadsregio Rotterdam een gebiedsvisie opgesteld waarin de maximale hoeveelheid glas is vastgelegd. Dit zal worden verwerkt in een bestemmingsplan.



Verspreid glas

In het landelijk gebied liggen ook veel solitaire glastuinbouwbedrijven. Vaak is het glas op deze bedrijven begonnen als ondersteuning van het verder grondgebonden agrarisch bedrijf en later ontwikkeld tot gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf. Het beleid is erop gericht deze verspreid gelegen bedrijven, wanneer dit geen ondersteunend glas betreft, te verplaatsen naar glastuinbouwgebieden of de greenport Westland/Oostland dan wel te saneren. Belangrijke aanleiding voor dit beleid is dat solitaire bedrijven, nog afgezien van de landschappelijke aspecten, niet de mogelijkheden hebben voor duurzaam energie- en waterbeheer zoals in glastuinbouwgebieden. Voor de Hoeksche Waard wordt onderzocht of het thans verspreid gelegen glas geconcentreerd kan worden in een locatie van circa 50 hectare.



Nieuwe glastuinbouwlocaties

Naast de mogelijkheden voor nieuwe glastuinbouw in de Zuidplaspolder en Lansingerland voor de kortere termijn onderzoekt Zuid-Holland de noodzaak en/of mogelijkheid voor een nieuwe glastuinbouwlocatie in de provincie. Inzet is het behoud van 5800 hectare netto teeltareaal. Wil Zuid-Holland kunnen profiteren van een uitbreiding, dan is een fysieke of andere verbinding nodig met bestaande glastuinbouw. De verbinding met de greenport Westland/Oostland is hierin speerpunt. Het onderzoek richt zich op een grootschalige én duurzame locatie van netto ongeveer 400 hectare glas. Een nieuwe glastuinbouwlocatie moet voldoen aan de voorwaarden van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 en aan de standpuntbepaling van Rijk en provincie over het advies van de Deltacommissie. Deze voorwaarden houden onder andere in dat de zoetwatervraag niet verder toeneemt en dat de locatie zelfvoorzienend is in de zoetwaterbehoefte. Zoeklocaties in Zuid-Holland zijn Oostflakkee en Kaag en Braassem (Veenderpolder). Ook zal de provincie onderzoeken of een locatie in de Haarlemmermeer hiervoor een optie is, omdat deze goed aansluit op het veilingcomplex in Aalsmeer.



4.5.1.5 Kenniseconomie

Zuid-Holland wil dat onderzoeksinstituten en kennisintensieve bedrijvigheid zich geclusterd kunnen vestigen op daartoe aangewezen bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Dit is in het belang van de concurrentiepositie van de Zuidvleugel omdat kennis, innovatie en dienstverlening belangrijke aspecten zijn van het internationale karakter van Zuid-Holland. Een strikt toelatingsbeleid moet de ontwikkeling van deze locaties bevorderen. Deze zijn aangegeven als kenniscentrum op de functiekaart. Een goede bereikbaarheid van deze locaties vanaf belangrijke openbaar vervoerknooppunten en de luchthavens Schiphol en Rotterdam Airport is van essentieel belang. Naast ruimte voor bedrijvigheid is ook ruimte nodig voor het huisvesten van bijbehorend buitenlands toptalent, waaronder studenten. Voorbeelden in algemene zin zijn: het Vredespaleis als centrum voor internationale instituties op het gebied van recht en vrede, DSM en Technopolis in Delft, Brainpark in Rotterdam, Unilever bij Vlaardingen en Estec in Noordwijk.



Water-, energie-, en deltatechnologie

Zuid-Holland wil de positie van het Nederlandse water- en deltacluster in de wereld versterken. Het cluster is sterk vertegenwoordigd in Zuid-Holland, maar ligt erg verspreid. Het cluster bestaat uit twee deelsectoren: deltatechnologie (waterbeheer, waterbouw) en watertechnologie (drinkwater, proces- en afvalwater). De wereldwijde vraag naar kennis uit het cluster is groot en groeiende, onder meer als gevolg van klimaatverandering. Het cluster bevindt echter zich nog in een ontwikkelfase. Zuid-Holland kan ruimtelijke referentieprojecten ontwikkelen door nieuwe technologieën en kennis toe te passen, zoals de zandmotor. Het bedrijvenpark Science Port Holland (Rotterdam - Delft) biedt kansen voor de ruimtelijke concentratie van het cluster.



Life & healthsciences

Zuid-Holland wil een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor organisaties op het terrein van life & healthsciences, vooral voor research en development. In Leiden ligt op het Bio Sciencepark het grootste life & healthsciencescluster van Nederland. Zuid-Holland moet ruimte blijven bieden voor activiteiten in de gehele keten van het cluster en deze versterken. Daar horen ook verbindingen bij met andere clusters zoals de greenports.
Er is ook ruimte nodig om de zorgsector in Zuid-Holland te kunnen blijven faciliteren: Door vergrijzing en voortschrijdende technologie ontstaat naast behoefte aan ruimte voor zieken- en verzorgingshuizen ook een toenemende en veranderende zorgvraag. Die vraagt weer om ruimte voor kennisontwikkeling zoals Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Het gaat hier om een soort siliconvalley op medisch-technologisch gebied.



Kennisnetwerk greenports

Het kennisnetwerk van de greenport Westland/Oostland verbreedt zich. Van kennis op het gebied van de teelt zelf, gaat het nu om kennis over klimaattechnologie, waterbeheer, materiaalkunde en logistiek. Er zijn nauwe relaties met de universiteiten van Leiden, Rotterdam, Delft en Wageningen (met een dependance in het gebied). Ook de greenports Boskoop en Bollenstreek maken deel uit van dit kennisnetwerk. Als zwaartepunten in dit kennisnetwerk van veilingen en onderzoeksinstituten zijn op de functiekaart de veilingen in Bleiswijk en Naaldwijk als kenniscentrum aangegeven.



4.6 Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie

Voor een duurzame en klimaatbestendige ruimtelijke inrichting hanteert Zuid-Holland de lagenbenadering als uitgangspunt voor de Visie 2020. De inrichting van Zuid-Holland wordt op lange termijn duurzamer en klimaatbestendiger. Dit bereikt de provincie door rekening te houden met mogelijke veranderingen in het water- en bodemsysteem en dat mee te nemen bij veranderingen in het gebruik van de ruimte.

Klimaatbestendigheid krijgt tot 2020 gestalte door de nadruk te leggen op waterveiligheid en een robuust watersysteem met duurzame zoetwatervoorziening. Duurzaamheid betekent, dat de provincie de lagenbenadering toepast en dat zij werkt aan een groter aandeel van een duurzame vorm van energievoorziening.



Lagenbenadering

Een duurzame deltaprovincie betekent dat bij feitelijke keuzes en ontwikkelingen een integrale afweging wordt gemaakt tussen sociaal-culturele, economische en ecologische aspecten. Dit voorkomt zoveel mogelijk dat negatieve effecten van het handelen in het hier en nu worden verplaatst naar elders en naar toekomstige generaties. Nu werken met de lagenbenadering maakt een duurzame ruimtelijke inrichting concreet. Er zijn drie lagen:

  • de ondergrond: samenhangend ruimtelijk systeem van bodem, water en natuur; 
  • netwerken van infrastructuur;
  • occupatielaag: verstedelijking, landbouw, recreatie, archeologie en andere functies.

Bij een afweging is het belangrijk dat de belangen via deze drie lagen worden geordend en dat er een integrale afweging plaatsvindt. 



4.6.1 Verbeteren van de waterveiligheid

Bij het provinciaal belang ’Verbeteren van de waterveiligheid’ horen de ambities10:
­ Versterken van de primaire keringen langs de kust en langs de rivieren, met behoud van de ruimtelijke kwaliteit.
­ Versterken van de regionale keringen met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
­ Zorgen voor mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen in buitendijkse gebieden met behoud van veiligheid tegen overstromingen.
­ Zorgen voor mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen in kwetsbare binnendijkse gebieden met behoud van veiligheid tegen overstromingen.

Zuid-Holland wil de toekomstige overstromingsrisico’s verkleinen. Sterkere keringen, aanpassingen in ruimtegebruik en omgaan met de overstromingsrisico’s vormen de leidraad voor het provinciale waterveiligheidsbeleid. Versterking van de primaire en regionale waterkeringen, bescherming van kwetsbare (buitendijkse) gebieden en crisisbeheersing / calamiteitenzorg zijn de belangrijkste onderdelen van het provinciale waterveiligheidsbeleid.

Op kaart 8 van de Verordening zijn de primaire en regionale keringen aangegeven. De voor hoogwater meest kwetsbare gebieden zijn de buitendijkse terreinen, de diepgelegen binnendijkse gebieden en gebieden direct langs primaire keringen. Waterveiligheid is een belangrijk aspect bij de ontwikkeling van deze gebieden. Versterking van rivierdijken en regionale keringen gebeurt in samenhang met verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

10 Deze zijn uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan



Kustverdediging

Zuid-Holland ligt in een delta en voor een groot deel onder zeeniveau. De kustversterking verzekert betrouwbaarheid van de kust als zeewering en daarmee de veiligheid van het achterliggend (stedelijk) gebied. De kust is voor de komende vijftig jaar op sterkte gebracht als het werk aan de zwakke schakels is voltooid. Het gaat om de Kop van Goeree (Flaauwe Werk: al afgerond), de Kop van Voorne, de Delflandse Kust van Hoek van Holland tot Kijkduin (onder andere via het pilotproject Zandmotor Delflandse Kust) en de boulevards van Scheveningen, Katwijk en Noordwijk (al afgerond).

Voor de kustveiligheid is het belangrijk om het kustfundament te handhaven en aan het kustfundament geen zand te onttrekken. In het gedeelte van het kustfundament dat binnen stads- en dorpsgebied ligt, mag uitbreiding van stedelijke functies of infrastructuur geen nadelige gevolgen hebben voor de waterstaatkundige veiligheid (zie ook kaart 8 van de Verordening).



4.6.2 Robuust en veerkrachtig watersysteem

Bij het provinciaal belang 'Robuust en veerkrachtig watersysteem' horen de ambities11

  • Zoetwatervoorziening veilig stellen. 
  • Gebiedsspecifiek omgaan met verzilting. 
  • Innovatief omgaan met waterbeheer en veiligheid. 
  • Voldoende (grond)water voor de bereiding van drinkwater veilig stellen. 
  • Voldoende wateropvang voor de stad realiseren. 
  • Een klimaatbestendige leefomgeving realiseren. 
  • Realiseren en behouden van een goede ecologische toestand van oppervlaktewaterlichamen. 
  • Realiseren en behouden van een goede kwaliteit van grondwaterlichamen.
  • Realiseren van de vereiste (grond)watercondities voor de Natura2000-gebieden.
  • In de verziltingsgevoelige gebieden zijn in principe geen functies of uitbreidingen toegestaan die leiden tot een toename van de vraag naar zoet water, tenzij zoetwatervoorziening en/of zelfvoorzienendheid is geregeld12
  • Ontwikkelen van duurzame greenports. 
  • Realiseren en behouden van een maatschappelijk haalbaar en betaalbaar beschermingsniveau tegen wateroverlast. 
  • Duurzaam peilbeheer.

11 Deze zijn uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan
12 Verziltingsgevoelige gebieden zijn, conform het Waterplan: Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten (west), de regio tussen Rotterdam, Zoetermeer en Gouda, de polders Nieuwkoop en Vierambacht, het Westland, de Bollenstreek en in mindere mate de Hoeksche Waard



Zoetwatervoorziening

Gelet op de onzekerheid van zoetwatervoorziening op de lange termijn, is het van belang dat de vraag naar zoet water in de provincie Zuid-Holland in balans blijft. Vooral bij sterk zoetwatervragende functies en gebieden, zoals de greenports, zal de afweging steeds belangrijker worden. Dit zal ook in de landbouw en natuur in het westelijke deel van het Groene Hart en de landbouw in de Zuid-Hollandse delta gaan spelen.



Greenports en glastuinbouw

In de glastuinbouw vindt een zo min mogelijke toename van de zoetwatervraag plaats door nieuwe of uit te breiden functies. Dit wordt bereikt door maximaal gebruik te maken van hemelwater en de waterkringloop/recirculatie te sluiten. Daarmee worden ook de emissies geminimaliseerd. Innovaties in het watersysteem worden gestimuleerd. Het gaat daarbij om oplossingen die zowel watertekort als wateroverlast het hoofd kunnen bieden. Ruimtelijk betekent dit vooral ruimte voor wateropvang. Het gaat dan om een combinatie van wateropvang in bassins (al dan niet onder de kas) en ruimte voor opvang in het watersysteem. Hierbij moet rekening worden gehouden met voorwaarden voor de ondergrond. Bij het integreren van het waterbeleid in het ruimtelijk beleid wordt onderscheid gemaakt in de volgende situaties:

  1. Bestaande locaties voor glastuinbouw en boom- en sierteelt;
    Voor bestaande glastuinbouw(bedrijven)gebieden, greenports, boom- en sierteelt gebieden en PCT-terreinen blijft het provinciaal waterbeleid ongewijzigd. In het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is een streefbeeld voor een duurzame waterhuishouding voor 2040 uitgewerkt. Dit streefbeeld bevat uitspraken over de watervraag, de waterkringloop, emissies naar bodem, grond- en oppervlaktewater, wateroverlast en de inrichting van het watersysteem. Het streefbeeld geldt voor de grondgebonden teelten voor 2040. Voor de bestaande substraatteelten (glastuinbouw en boomteelt) geldt dit streefbeeld al voor 2027, conform Europees beleid (Kaderrichtlijn Water).
  1. Herstructurering van bestaande locaties voor glastuinbouw en boom- en sierteelt;
    Bij herstructurering geldt voor alle glastuinbouw(bedrijven)gebieden, greenports, boom- en sierteelt gebieden en PCT-terreinen dat uiterlijk in 2027 wordt voldaan aan het streefbeeld. Mede in het licht van de thans lopende evaluatie van het brijnbeleid vindt de provincie het belangrijk dat bij herstructureringen zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het streefbeeld 2040. Toepassing van best uitvoerbare technieken is het uitgangspunt.
  1. Nieuw te ontwikkelen locaties voor glastuinbouw en boom- en sierteelt.
    De provincie wil de vraag naar zoetwater in de planperiode niet laten toenemen. Zij zal hiervoor in de verziltingsgevoelige gebieden in beginsel geen functies toekennen (of uitbreidingen toestaan) waarbij de vraag naar zoet water toeneemt. Dit tenzij deze functies hun eigen zoetwatervoorziening regelen en hiermee hun zelfvoorzienendheid vergroten (denk dan aan gesloten waterkringloop in glastuinbouw, gebruik van hemelwateropvang).


Voorkomen van wateroverlast

Door klimaatverandering kan de wateroverlast toenemen. Ruimte voor wateropvang wordt in en nabij steden gereserveerd. Hiertoe behoren ook de waterbergingen die indicatief op de functiekaart opgenomen (zie verder Provinciaal Waterplan figuur 7.3). Deze zijn waar mogelijk gecombineerd met andere waterbergingen zoals bijvoorbeeld voorraadbergingen en/of andere functies als natuur en recreatie. Bij ontwikkelingen in de landbouw en bij natuurontwikkeling moet de duurzaamheid van de zoetwatervoorziening in de afweging worden meegenomen. Zuid-Holland onderscheidt de volgende opgaven:



Wateropgaven Groene Hart

In het Groene Hart spelen in de toekomst problemen met de beschikbaarheid van zoet water. Met het oog op een duurzamer bodemwatersysteem wordt in delen van het Groene Hart ingespeeld op het afremmen van de bodemdaling.

Ook is er een wateropgave gekoppeld aan de diepe droogmakerijen. De Middelburg-Tempelpolder en Polder Nieuwkoop zijn diepe droogmakerijen met een urgente wateropgave. Zij liggen als diepe putten in het landschap waardoor (brakke) kwel optreedt. Dit wordt deels veroorzaakt door wegzijging uit de directe omgeving.
In Polder Nieuwkoop kan de aanzuigende werking op de naastgelegen Nieuwkoopsche Plassen mogelijk worden beperkt door peilopzet in combinatie met functieverandering. De provincie moet dit verder onderzoeken op haalbaarheid. De inlaatbehoefte van de Nieuwkoopse Plassen kan sterk verminderen door het peilregime in de plassen en directe omgeving te flexibiliseren en door het glastuinbouwgebied Noordse Buurt te saneren.
In de Middelburg-Tempelpolder zijn minder mogelijkheden om de effecten van de aanwezige brakke kwel te beperken, onder meer door de aard van de ondergrond. Onderzoek moet uitwijzen of brakke kwel onderdrukt kan worden door het peil op te zetten. In beide droogmakerijen moet bij eventuele functieverandering de ruimtelijke kwaliteit verbeteren. Waar nodig en mogelijk vindt koppeling plaats met waterberging, natuurontwikkeling, woningbouw en recreatie en toerisme. Daarbij moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van brakke kwel. Op korte termijn sluit de provincie ontwikkelingen uit die toekomstige oplossingen voor de wateropgave ernstig bemoeilijken. Het gaat hierbij vooral om onomkeerbare kapitaalintensieve investeringen zoals nieuwe bebouwing voor agrarische bedrijven.

In de Polder Noordplas werkt de provincie al aan een urgente wateropgave door de invloed van brakke kwel op het boezemsysteem te beperken. De aanleg van het Bentwoud is een functiewijziging die het mogelijk maakt om brakke kwel in de zomer vast te houden.



Wateropgaven Zuid-Hollandse delta

De Deltawerken helpen Zuid-Holland beschermen tegen het water. De compartimentering van de deltawateren door de Deltawerken heeft echter ook negatieve ecologische effecten en veroorzaakt problemen met de water(bodem)kwaliteit. Dit heeft zijn weerslag op de economische waarde en belevingswaarde van het gebied, door bijvoorbeeld blauwalg en verontreinigd sediment. Ook moet rekening worden gehouden met klimaatverandering en zeespiegelrijzing. Hiertoe is in 2003 de Integrale Visie Deltawateren opgesteld. In het Zuid-Hollandse deel van de delta zet de provincie in op herstel van de getijdenwerking. Bestaande afspraken over beleid en beheer met betrekking tot zoetwatervoorziening blijven tot 2015 gehandhaafd. Bij het voorbereiden van de rijksbesluiten voor de periode daarna is de inzet van de provincie gericht op duurzame zoetwatervoorziening op het huidige niveau.
Herstel van de getijdenwerking wil zeggen: waar mogelijk de getijdenwerking vergroten en geleidelijke overgangen maken tussen zoet en zout en/of nat en droog. Dit herstelproces loopt via verschillende sporen: het herstel in het Haringvliet (Kierbesluit Haringvliet), het realiseren van het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta (naar aanleiding van het adviesrapport “Zoet water Zuidwestelijke Delta”(2009) en de mogelijke verzilting van het Volkerak-Zoommeer.

In de agenda Kracht van de Delta (2006) is het verbinden van veiligheid, ecologie en economie verder uitgewerkt in drie doelen:

  • klimaatbestendig veilig: waarborgen van veiligheid tegen overstromingen ook op de lange termijn (2040 en verder);
  • ecologisch veerkrachtig: herstellen van een natuurlijk ecologisch systeem en het herstellen van de estuariene dynamiek in de Zuidwestelijke delta voor de korte termijn (2015), de middellange termijn (2040) en met een doorkijk naar de langere termijn (2040 en verder); 
  • economisch vitaal: benoemen en pakken van kansen voor de ruimtelijk-economische en maatschappelijke ontwikkeling.

De deltaprovincies (Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant) hebben deze doelen in vier richtingen uitgewerkt:

  • een unieke delta met ecologisch herstel, estuariene dynamiek en versterking van landschappelijke en cultuurhistorische waarden; 
  • een veilige delta die ook op langere termijn op een innovatieve en duurzame manier beschermd is tegen overstromingen; 
  • een bedrijvige delta met als speerpunten bedrijvigheid in en rond de havens, optimale scheepvaart, versterking van water en landbouw en versterking van het aanbod voor recreatie en toerisme; 
  • een aantrekkelijke delta om te wonen en te verblijven.

In de periode 2010-2015 ontwikkelt en realiseert de provincie, samen met andere partijen waaronder het Rijk, een breed pakket aan (onderzoeks)maatregelen om het bestaande serviceniveau van de zoetwatervoorziening te handhaven, uitgaande van het Zoetwater Advies van de Stuurgroep Zuidwestelijke Delta. Het gaat om alternatieven voor zoetwateraanvoer van elders, beperking van de zoutindringing naar Haringvliet en Hollandsch Diep met een innovatieve zoet/zout-scheiding in de Volkeraksluizen, een verkenning naar beperkende maatregelen tegen zoutindringing in het Rijnmondgebied en technologische oplossingen om het zoetwatergebruik te verminderen. Een integrale gebiedsgerichte benadering staat daarbij centraal.



Drinkwaterwinning

Van oudsher wordt er in het duingebied drinkwater gewonnen. Deze functie blijft gehandhaafd. Dit levert beperkingen op voor functies in de omgeving. De drinkwaterwinningsgebieden in de duinen en de daaromheen gelegen grondwaterbeschermingsgebieden zijn opgenomen in de Provinciale Milieuverordening. Het gaat om de locaties: Kop van Goeree ten noorden van Goedereede, de Delflandse kust ter hoogte van Monster, de duinen tussen Den Haag en Katwijk en de duinen in het noorden van de Bollenstreek, op de grens met Noord-Holland.



4.6.3 Duurzame energievoorziening

Zuid-Holland werkt aan een duurzamer energievoorziening in 2020. Bij het provinciaal belang ’Voorzien in duurzame vormen van energie en benutten van potenties om duurzame energievoorzieningen toe te passen’ horen de volgende ambities: 

  • Voldoende en geschikte locaties voor windenergie realiseren. 
  • Andere duurzame vormen van energietoepassingen mogelijk maken (zonne-energie, getijdencentrale, warmte- en koudeopslag en betere benutting van restwarmte). 
  • Locatiebeleid om (aan de vraagzijde) benutting van warmte te realiseren via de aanleg van lokale warmtenetten.


Windenergie

In het licht van een duurzame energievoorziening is het bieden van ruimtelijke mogelijkheden voor windenergie van groot belang. Met het Rijk zijn afspraken gemaakt om in 2020 te voorzien in tenminste 720 MW opgesteld vermogen op land. In de door Provinciale Staten vastgestelde nota ‘Energiebeleid in uitvoeringsperspectief’ (september 2009) is aangegeven dat in 2020 circa 1000 MW op land en vlak voor de kust ('near shore') haalbaar lijkt. Uitgaande van een opgesteld vermogen in 2010 van circa 250 MW zijn aanvullende locaties wenselijk. In dat licht is de Nota Wervel van 2003 geactualiseerd in de Nota Wervelender (2010). Met het oog op de verwachte klimaatveranderingen en energieschaarste is het voorzien in een groter aandeel duurzame energie urgenter geworden. Anderzijds zijn landschappelijke kwaliteiten centraler komen te staan in het ruimtelijk beleid en is de nieuwe generatie windturbines (en daarmee de invloed op het landschap) aanzienlijk groter dan circa tien jaar geleden.



Plaatsingsvisie

In de plaatsingsvisie uit de Nota Wervelender zijn de eisen vanuit windenergie en de voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit afgewogen en met elkaar in balans gebracht. Daarmee is de plaatsingsvisie tevens onderdeel van het ruimtelijk beleid. Vanuit windenergie zijn in de afweging aspecten als voldoende windaanbod, technische en economische haalbaarheid betrokken. Vanuit ruimtelijke kwaliteit worden combinaties met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water geschikt geacht. Gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, worden uitgesloten. Mede door de grote omvang en ruimtelijke invloed van moderne windturbines is het van belang om zoveel mogelijk in te zetten op concentratie in geschikte gebieden en versnippering over de hele provincie te voorkomen. Dit leidt tot gebieden waar plaatsing gewenst is (plaatsingsgebieden) en waar deze uitgesloten wordt (vrijwaringsgebieden):

  1. Plaatsingsgebieden
  • Noordelijk deel van de provincie, boven de Nieuwe Waterweg en de Lek: zones langs snelwegen in combinatie met bedrijvigheid.
  • Midden van de provincie: zone Maasvlakte –Rotterdam – Drechtsteden- Merwedezone gekoppeld aan grootschalige infrastructuur met bedrijvigheid en logistiek.
  • Zuidelijk deel van de provincie: zones gekoppeld aan grootschalige infrastructuur (dammen, dijken) en grootschalige scheidslijnen tussen land en water.
  1. Vrijwaringsgebieden
  • De nationale landschappen Groene Hart en Hoeksche Waard, vanwege landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 
  • De randen van het Groene Hart. 
  • Natura2000-gebieden, de EHS en beschermde natuurmonumenten, vanwege ecologische waarden. 
  • Provinciale landschappen, vanwege de landschappelijke en recreatieve waarden.
  • Topgebieden cultureel erfgoed vanwege de cultuurhistorische waarden.
  • Aanvliegroutes en – funnels van vliegvelden, vanwege veiligheidsrisico’s.

Enkele gebieden zijn bij uitstek geschikt als concentratiegebied voor windenergie (windpark) namelijk het havengebied van Rotterdam (Maasvlakte en Europoort) en de randzone van Flakkee. Deze gebieden worden als voorkeurslocatie beschouwd.
Waar plaatsingsgebied en vrijwaringsgebieden elkaar raken is een nadere beoordeling en afweging aan de orde op basis van maatwerk. Hiervoor is tevens een onafhankelijk kwaliteitsadvies vereist (bijvoorbeeld van het kwaliteitsteam voor het betreffende nationale landschap) gevolgd door een besluit van Provinciale Staten. Na de inspraak op de ontwerpnota Wervelender en de besluitvorming hierover door PS wordt de definitieve Nota Wervelender beschouwd als een concretisering van de bovenstaande plaatsingsvisie. Deze concretisering zal in de herziening van de PSV worden opgenomen.



Overige vormen van duurzame energie

De provincie wil de ondergrond ordenen vanwege de toenemende rol van geothermie en warmte- en koudeopslag. In de periode 2010-2020 worden in stedelijke gebieden en in glastuinbouwgebieden binnen het stedelijk netwerk lokale warmtenetten gerealiseerd. Dit gebeurt op basis van restwarmte uit afvalverwerking, elektriciteitscentrales en industrie, geothermie, warmte- en koudeopslag, lokale warmte uit warmtekrachtkoppeling en eventueel ook biomassa en de combinatie hiervan via 'intelligente' lokale netten. Tot en na 2020 groeien deze netten samen uit tot grotere netten die daarmee bedrijfszekerder zijn. Het Westland/Oostland kan als energieleverancier fungeren. Het Westland is door het Rijk aangewezen als een vestigingsplaats waar elektriciteitsproductie-eenheden gevestigd zijn en zich kunnen vestigen. Hier kan in de toekomst tenminste 500 MW elektriciteit worden opgewekt. Glastuinbouw is een grote energiegebruiker. Door de ligging nabij de mainport liggen hier veel kansen. Zo kan een energieneutrale greenport ontstaan.



4.7 Divers en samenhangend stedelijk netwerk

Zuid-Holland wil verstedelijking concentreren in en rond de steden in het stedelijk netwerk. Deze concentratie van stedelijke functies heeft agglomeratievoordelen voor bedrijven, voorzieningen en detailhandel. Ook geeft het mogelijkheden tot ketenvorming, efficiënte benutting van infrastructuur en mogelijkheden voor ontwikkeling van efficiënte duurzame energiesystemen. Hiermee wordt de concurrentiepositie versterkt van het stedelijk netwerk van Zuid-Holland, de Zuidvleugel van de Randstad en daarmee van de Randstad in zijn geheel. Zuid-Holland schept een aantrekkelijke leefomgeving en een aantrekkelijk vestigingsmilieu voor bedrijven. Het contrast tussen stad en land blijft behouden en gebiedskwaliteiten kunnen worden versterkt. De provincie reageert op demografische ontwikkelingen en veranderende maatschappelijke behoeften. Volgens de demografische trends zal de vraag naar stedelijke woonmilieus in de toekomst toenemen. Ontwikkeling van nieuwe woon- en werkmilieus in stedelijke gebieden kan gecombineerd worden met het herstructureren en transformeren van bestaande woon- en werkmilieus. Gemengde milieus, broedplaatsen en onderwijsvoorzieningen zorgen voor een betere voedingsbodem voor de kenniseconomie. De sociale cohesie wordt door het tegengaan van segregatie versterkt.
Intensief gebruik van het stedelijk gebied leidt tot een reductie van de uitstoot van broeikasgassen en een zuinig gebruik van grondstoffen. Hierdoor draagt intensief stedelijk ruimtegebruik bij aan de duurzaamheid van de Nederlandse samenleving.


Kaart 4.7 Stedelijk netwerk

Tot 2020 staan de volgende provinciale belangen centraal: 

  • Versterken van het stedelijk netwerk en versterken van vitaliteit en diversiteit van stedelijke centra.
  • Optimaal benutten van bestaande ruimte voor economische clusters.
  • Verbeteren interne en externe bereikbaarheid. 
  • Voldoende aanbod van verschillende woonmilieus. 
  • Voorzien in een gezonde leefomgeving.


4.7.1 Versterken stedelijk netwerk

Versterking van het stedelijk netwerk gaat uit van het intensief benutten van ruimte in bestaand bebouwd gebied door het ruimtegebruik op locaties en infrastructuur beter te benutten. Het provinciaal belang richt zich op de ambities: 

  • Bundeling van verstedelijking, infrastructuur, voorzieningen en economische activiteiten gericht op concentratie en functieafstemming (knopen- en locatiebeleid). 
  • Stedelijke detailhandelstructuur versterken. 
  • Culturele en toeristische voorzieningen versterken (stedelijk).


Bundeling van verstedelijking

Het uitgangspunt voor de leef-, werk- en woonomgeving in 2020 is bundeling van verstedelijking. Dit is meer dan het concentreren van wonen in steden. Zuid-Holland richt zich op een betere relatie tussen infrastructuur en verstedelijking, het onderling afstemmen van de verschillende voorzieningen en intensivering van het stedelijk gebied, vooral in de invloedssfeer van hoogwaardig openbaar vervoer.



Functieafstemming tussen verstedelijking en infrastructuur

De verstedelijkingsopgave richt zich vooral op het bestaand stads- en dorpsgebied 2010. Gedifferentieerd ruimtegebruik maakt dit gebied aantrekkelijk voor mensen om te wonen en voor bedrijven om zich te vestigen. Dit betekent een verdergaande concentratie en intensivering van stedelijke functies in de stedelijke centra en rond haltes van het Zuidvleugelnet. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen stedelijk gebied met hoogwaardig openbaar vervoer en het 'overig' stedelijk gebied. Het eerste gebied valt binnen het invloedsgebied van het Zuidvleugelnet. Dit geldt niet alleen voor wonen en werken maar ook voor grootschalige voorzieningen (winkels, sport- en culturele voorzieningen). Deze benadering beperkt het stedelijk ruimtebeslag, stimuleert de benutting van het openbaar vervoer en vergroot het draagvlak van voorzieningen in het stedelijk gebied.
De intensivering van stedelijke functies mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van het binnenstedelijk leef- en vestigingsmilieu. Dat betekent dat intensivering gepaard gaat met verbetering van de milieukwaliteit en dat grotere eenheden stedelijk groen hun groene functie en kwaliteit moeten behouden en in principe niet in aanmerking komen voor verdichting. De grotere eenheden stedelijk groen en de groenblauwe hoofdroutes in de stad worden beschouwd als een onderdeel van de Zuidvleugelgroenstructuur.



Bebouwingscontouren

Zoals gezegd kiest de provincie ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee worden investeringen in de gebouwde omgeving gebundeld, waardoor de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden blijft en versterkt wordt. Alle kernen in de provincie zijn omgeven door bebouwingscontouren. Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en de kernen, rekening houdend met plannen waar de provincie al mee heeft ingestemd en waarbinnen de woningbouwopgave tot 2020 kan worden geaccommodeerd (zie ook kaart 1 van de Verordening).



Bouwen buiten de contour, zoeklocaties landelijk wonen en stads- en dorpsgebied

Verstedelijking buiten deze bebouwingscontouren is in principe niet toegestaan, het zogenoemde 'nee, tenzij-beleid'. Uitzonderingen op deze regel zijn situaties waarbij door de bouw van een beperkt aantal woningen of een bedrijfsvestiging, de kwaliteiten in een gebied kunnen worden versterkt.
Op basis van bestuurlijke afspraken met Haaglanden, Stadsregio Rotterdam en Dordrecht is voor de mogelijke ontwikkeling van landelijk wonen buiten bebouwingscontouren een indicatieve aanduiding 'zoeklocatie' landelijk wonen opgenomen op de functiekaart. Het gaat om locaties in de Westlandse Zoom, bij Monster-Noord, 's Gravenzande-Noordoost, Hellevoetsluis-West, Spijkenisse-Zuid, Poortugaal- en Rhoon-Oost, de Waterparel in de Zuidplas en Dordrecht-Bovenpolder.
In het Middengebied van de Zuidplas en bij Piershil is een indicatieve aanduiding zoeklocatie stads- en dorpsgebied op de kaart opgenomen. Het gaat hier om zoeklocaties waarover nog aanvullende besluitvorming moet plaatsvinden.



Bouwen in bestaand bebouwd gebieden in uitleggebieden

Binnen de bebouwingscontouren zijn er gebieden waar nog gebouwd kan worden en gebieden waar nog geen ontwikkelingsplannen voor zijn. Dit zijn uitleggebieden. Het overige gebied binnen de contour is aangeduid als bestaand stads- en dorpsgebied 2010 (BSD 2010). Dit bevat de al bebouwde gebieden en de nog niet bebouwde gebieden waar al plannen in uitvoering zijn. Stedelijk groen wordt niet gerekend tot bestaand stads- en dorpsgebied 2010.
Conform de bestuurlijke afspraken tussen de Zuidvleugelpartners in het bestuurlijk platform Zuidvleugel, geldt de ambitie dat 80 procent van de nieuwbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied 2010 plaatsvindt. Dit is inclusief vervangende nieuwbouw. De overige 20 procent vindt plaats in uitleggebieden, maar binnen de bebouwingscontour.


Kaart 4.7.1a Stads- en dorpsgebied

Voor de kernen buiten de Zuidvleugel hanteert de provincie normen van 50 procent binnen bestaand stads- en dorpsgebied 2010 en 50 procent buiten bestaand bebouwd gebied maar binnen de bebouwingscontour. Deze percentages gelden voor de netto toevoeging aan de woningvoorraad. Gezien de voorziene demografische ontwikkelingen bieden deze bebouwingscontouren voldoende ruimte voor de opvang van stedelijke ontwikkelingen in de planperiode.



Verstedelijkingsafspraken en migratiesaldo nul voor de gebieden buiten het stedelijk netwerk

Rijk, provincie en gemeenten hebben per gebied, afspraken gemaakt over de verstedelijkingsopgaven voor de Zuidvleugel, het Groene Hart en de delta (zie kaart 4.7.1.b). Deze indeling wijkt iets af van de indeling stedelijk netwerk, zie kwaliteitskaart. Voorne-Putten maakt deel uit van de Zuidvleugel en Gorinchem valt buiten de bestuurlijke afspraken voor de Zuidvleugel en het Groene Hart.
De woningproductie voor de Zuidvleugel voor 2010-2020 bedraagt bruto 175.000 woningen, uitgesplitst naar regionale opgaven (zie hoofdstuk 2). Dit programma gaat uit van minimaal migratiesaldo nul. Hierdoor vindt verdergaande concentratie van verstedelijking in de Zuidvleugel plaats. Voor het gebied buiten de Zuidvleugel wordt in dit scenario uitgegaan van een bovengrens van maximaal migratiesaldo nul. Op deze manier wordt via verstedelijkingsafspraken gestuurd op bundeling in de Zuidvleugel.


Kaart 4.7.1b Ruimtelijke en bestuurlijke eenheden t.b.v. verstedelijkingsafspraken



Intensief benutten, meervoudig ruimtegebruik, herstructurering en transformatie

Zuid-Holland wil dat voor alle stedelijke ontwikkelingen het principe geldt: eerst intensiveren van bestaand gebruik, vervolgens nagaan of door herstructureren de beschikbare ruimte in het bestaand bebouwd gebied beter benut kan worden en pas dan uitbreiden. Dit geldt ook buiten het stedelijk netwerk.
Intensiveren betekent in de praktijk vaak het combineren van verschillende functies. Dit kan door stapeling of bestaande bebouwing voor meerdere functies geschikt te maken. Voorbeelden zijn de mix van wonen en werken en het combineren van logistieke bedrijven en kassen zoals in de Zuidplaspolder ontwikkeld worden.
Herstructurering is een goede methode om functies te herschikken in het kader van intensivering van het stedelijk gebied. In sommige gevallen verandert op kleine schaal het ruimtegebruik, maar herstructurering betreft vooral functiebehoud. Wanneer overwegend sprake is van functieverandering maar deze veranderingen in het ruimtegebruik nog niet volledig duidelijk zijn, is er sprake van een transformatieopgave (zie paragraaf 4.4.2). Binnenstedelijke transformatie is gericht op intensivering en grotere functiemenging. Voorbeelden hiervan zijn De Binckhorst in Den Haag, de Delftse Schieoevers en Stadshavens Rotterdam.
Via herstructurering en transformatie kan tegelijk ook de milieukwaliteit op een locatie worden verbeterd. Dit gaat om geluidhinder, geurhinder, luchtkwaliteit en onveilige situaties. Een schone en veilige leefomgeving is van belang om het internationale profiel van het stedelijk netwerk te behouden en te ontwikkelen. Naast de intensiveringsopgave dient in en om het stedelijk gebied voldoende ruimte te blijven voor een robuuste groen- en waterstructuur. Dit is van belang voor de leefkwaliteit in de stad en goede verbindingen met het buitengebied.



Centra in het stedelijk netwerk Zuid-Holland

Intensivering van stedelijke functies en concentratie van voorzieningen vindt zoveel mogelijk plaats nabij knooppunten van hoogwaardig openbaar vervoer. Niet iedere functie past echter overal. Er is sprake van een zekere hiërarchie en differentiatie in knooppunten en centra. Daarvoor is onderscheid gemaakt naar enerzijds internationale, bovenregionale en regionale centra met een multifunctioneel karakter, anderzijds de kenniscentra en toeristische centra met een specifiek profiel. De internationale centra omvatten de centrumgebieden van Den Haag en Rotterdam. Met name hier is plaats voor concentratie van (inter)nationaal georiënteerde bedrijven, kantoren en centrumvoorzieningen. De centra van de middelgrote, historische steden Leiden, Delft, Dordrecht en Gouda worden beschouwd als bovenregionaal centrum, naast enkele belangrijke deelcentra in de grote steden. Regionale centra hebben binnen het stedelijk netwerk of in het landelijk gebied een regionale functie.



Stedelijke detailhandelsstructuur

De provincie wil de bestaande detailhandelsstructuur versterken, vooral in de stedelijke centra, stadsdeel- en wijkcentra. Nieuwe mogelijkheden voor detailhandel en vrije tijd ziet de provincie ook rond openbaar vervoerknooppunten, inclusief de nieuwe Stedenbaanlocaties. Dit betekent beperking van toelaatbare branches op perifere locaties. De provincie zet het huidige detailhandelsbeleid voort, zoals neergelegd in de Provinciale Structuurvisie Detailhandel 2007. Veel van de huidige grootschalige detailhandel is gevestigd op bedrijventerreinen. Vanuit het beleid om dit areaal juist voor reguliere bedrijven te behouden, wordt de uitbreiding van de perifere detailhandel op die locaties terughoudend benaderd (zie ook kaart 7 van de Verordening).



Culturele en toeristische voorzieningen

Zuid-Holland wil culturele en toeristische voorzieningen versterken. In het stedelijk netwerk zijn vooral de grote steden en de historische steden van groot cultureel en toeristisch belang. In deze steden in veelal sprake van een breed cultureel en toeristisch profiel, bestaande uit een gaaf en bijzonder historisch karakter, moderne architectuur en/of een divers palet aan culturele en stedelijke voorzieningen. De kwaliteiten komen tot uiting in de aanduidingen internationaal, bovenregionaal en regionaal centrum, veelal in combinatie met de aanduiding historische kern op de kwaliteitskaart. Een aantal van de historische kernen is in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Iedere stad heeft een specifiek cultureel en toeristisch profiel met een eigen karakter. Zo is de badplaats Noordwijk tevens bekend als internationaal congrescentrum. Versterking van dit karakteristieke profiel is van belang voor zowel de aantrekkelijkheid en het vestigingsklimaat van de afzonderlijke steden als voor het totale stedelijk netwerk.

Toeristische voorzieningen en attracties van nationaal of internationaal niveau met een meer specifiek karakter zijn aangeduid als toeristisch centrum. Het betreft een aantal belangrijke badplaatsen en attracties langs de kust, zoals Scheveningen, Noordwijk, Katwijk en Hoek van Holland, evenals de Brouwersdam op Goeree-Overflakkee. Deze badplaatsen kunnen zich, ieder op hun eigen wijze, verder ontwikkelen tot toeristische attracties van Europese allure. Daarnaast zijn de internationaal bekende toeristische trekpleisters zoals Keukenhof en werelderfgoed Kinderdijk aangeduid als toeristisch centrum. Verder ontwikkeling is mogelijk met inachtneming van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.



4.7.2 Optimaal benutten van bestaande ruimte voor economische clusters

Bij het provinciaal belang 'optimaal benutten van bestaande ruimte voor economische clusters' horen de ambities: 

  • Evenwichtige afstemming tussen vraag en aanbod van bedrijventerreinen. 
  • Kwaliteit van met name bedrijventerreinen die langs (drukke) infrastructuur van weg, rail en water en in overgangsgebieden tussen stad en open landschap liggen. 
  • Intensiever en efficiënter ruimtegebruik (toepassen SER-ladder voor bedrijventerreinen). 
  • Evenwichtige afstemming tussen vraag naar en aanbod van ruimte voor HMC-bedrijven. 
  • Evenwichtige afstemming tussen vraag naar en aanbod van watergebonden bedrijvigheid. 
  • Ondergronds ruimtegebruik.

In Zuid-Holland moet voldoende aanbod van bedrijventerreinen binnen het stedelijk netwerk beschikbaar zijn. Het aanbod is afgestemd op de behoefte en dient ter versterking van de internationale concurrentiepositie van Zuid-Holland. 



Bedrijventerreinen

Voor een aantrekkelijk en concurrerend vestigingsmilieu is de beschikbaarheid van een op de vraag afgestemd areaal bedrijventerreinen een belangrijke randvoorwaarde. Behoud van (binnenstedelijke) bedrijvigheid staat voorop, al dan niet gelegen op bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen zijn aangegeven op de functiekaart en kaart 6 van de verordening. De afstemming tussen vraag en aanbod vindt plaats door intensiveren, innoveren en herstructureren van bestaande en geplande bedrijventerreinen. Pas in laatste instantie komt uitbreiden op eventuele nieuwe locaties aan de orde13. Streefwaarde bij herstructurering is een ruimtewinst van 10 procent. Afspraken over nieuw aan te leggen bedrijventerreinen zijn gemaakt met betrokken partijen. Deze afspraken zijn in een convenant tussen Rijk, IPO en VNG vastgelegd. Zoeklocaties voor bedrijventerreinen (kleinschalig en goed ingepast) zijn Rozenburg, Spijkenisse en Veerstalblok (zie bijlage 6.4).

13 SER-ladder



Natte bedrijventerreinen

Bepaalde bedrijven zijn voor hun functioneren afhankelijk van de aan- en/of afvoer via het water. Bijvoorbeeld bedrijven met veel bulkgoederen, zoals zand- en grindoverslag, betoncentrales en de scheepsbouw en -reparatie. Daarnaast draagt vervoer over het water bij aan verkeers- en vervoersdoelstellingen en milieudoelstellingen. Minder vrachtvervoer over de weg levert een bijdrage aan het verminderen van de files en de milieubelastende emissies.
Het aantal bedrijventerreinen gelegen aan geschikt vaarwater is beperkt en staat onder druk van transformatie naar woningbouw, want de locaties aan het water zijn vaak ook interessant om aan te wonen. Toch is er in Zuid-Holland een vrij constante vraag naar watergebonden bedrijventerreinen, hoewel deze zelden specifiek geduid kan worden. Uit recent onderzoek (BCI, 2009) blijkt dat er voor op- en overslag, (wegen)bouw en de scheepsbouw en -reparatie de meeste natte bedrijventerreinen nodig zijn, gevolgd door chemische handel en productie, betoncentrale en -handel en transport. Ontwikkelingen van de containerterminals in Alphen aan den Rijn en Alblasserdam zijn voorbeelden van nieuwe vraag naar natte bedrijventerreinen. Onderzoek bevestigt dat de huidige omvang natte bedrijventerreinen in principe moet worden gehandhaafd.



HMC

Concentratiegebieden voor hogere milieuhindercategoriebedrijven (HMC-bedrijven) zijn te vinden in de zeehavengebieden in de Rotterdamse regio en de Drechtsteden. De HMC-bedrijven, vanaf categorie 4, kennen veelal een hoge toegevoegde waarde en vormen vaak het middelpunt van andere bedrijvigheid met vele toeleveranciers, inclusief de zakelijke dienstverlening. De ruimte voor HMC-bedrijven staat echter onder druk door de milieuzoneringen rond de oprukkende woningbouw. De (milieu)ruimte voor dit type bedrijven is daarom van provinciaal belang. Uitgangspunt voor bestemmingsplannen blijft het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein. Risicovolle bedrijven dienen bij verplaatsing en nieuwvestiging, zoveel mogelijk gevestigd worden op de daartoe bestemde terreinen. Deze terreinen liggen aan het provinciedekkend basisnet externe veiligheid. Hierdoor worden de risico’s die samenhangen met de verwerking en het transport van gevaarlijke stoffen in de provincie verminderd.



Kantoorlocaties

Zuid-Holland zet in op een sterke, internationaal concurrerende economie en de daarbij behorende positie op de kantorenmarkt. Tevens is afstemming met de infrastructuur van belang om een optimale bereikbaarheid te garanderen (zie ook kaart 5 van de Verordening). Nieuwe kantoorontwikkeling moet daarvoor zoveel mogelijk plaatsvinden in de (hoog)stedelijke centra en bij hoogwaardig openbaar vervoer. Dit gaat om de stations en haltes van het Zuidvleugelnet (rail). De (hoog)stedelijke centra zijn bij uitstek de vestigingsplaatsen voor de grote en bovenregionaal georiënteerde kantoorlocaties. De regionale centra en een selectie van de overige haltes van het Zuidvleugelnet komen in aanmerking voor ontwikkeling van middelgrote en kleinere kantoorlocaties. Niet alle haltes zijn even geschikt voor kantorenontwikkeling. Voorwaarden voor ontwikkeling zijn de toepassing van de SER-ladder en regionale afstemming. Genoemde (hoog)stedelijke en regionale centra zijn op de functiekaart aangegeven. Belangrijke kantoorlocaties zijn opgenomen op kaart 4.7.2.


Kaart 4.7.2 Kantorenlocaties



Ondergronds ruimtegebruik

De provincie zet in op een intensiever gebruik van de ondergrond. De ondergrond vervult voor de maatschappij diverse functies: leverancier van grondstoffen, voedselproducent, buffer voor water en energie (geothermie en warmte- en koudeopslag), ondergronds parkeren, enzovoort. Het ruimtegebruik in de ondergrond moet afgestemd zijn met het bovengrondse ruimtegebruik en rekening houden met de fysieke kenmerken van de ondergrond.



4.7.3 Verbeteren interne en externe bereikbaarheid

Bij het provinciaal belang 'verbeteren interne en externe bereikbaarheid' horen de ambities: 

  • (Inter)nationale bereikbaarheid verbeteren. 
  • Capaciteit vergroten en/of nieuwe capaciteit openbaar vervoer en weg, waaronder Stedenbaan. 
  • Ontwikkeling en kwaliteitssprong regionaal netwerk. 
  • Samenhang binnen complete infrastructuur netwerk (multimodaliteit en ketenmobiliteit). 
  • Ruimtelijke reserveringen voor (boven)regionale infrastructuur. 
  • Aansluiting tussen hoofd- en onderliggend wegennet verbeteren. 
  • Capaciteit vaarwegen voor goederen optimaliseren.

Voor de concurrentiepositie van de Randstad zijn de interne en externe bereikbaarheid essentieel. Bereikbaarheid vergroot de mogelijkheden voor een wervend internationaal vestigingsmilieu. Personen- en goederenvervoer moet vlot en zonder haperingen plaatsvinden. Tegelijkertijd dient de infrastructuur met het oog op de leefomgevingskwaliteit optimaal te worden ingepast. Bundeling van verstedelijking, functiemenging, herstructurering én een betere afstemming van de woon- en werkmilieus vermindert de totale mobiliteitsdruk.

Het hoofdwegennet, het regionale wegennet en stadshoofdwegennet moeten als één geheel beter functioneren. Ook is het noodzakelijk verschillende netwerken (auto, openbaar vervoer, waterwegen en fiets) te verknopen om vervoer van deur tot deur te verbeteren. Dit is de ketenbenadering die uitgangspunt is voor Zuid-Holland. Maatregelen in de sfeer van ketenmobiliteit14 moeten hieraan bijdragen. Hiervoor bieden nieuwe technologische ontwikkelingen op het gebied van (dynamisch) verkeersmanagement en dynamische openbaar vervoerreisinformatie veel kansen die Zuid-Holland beter wil benutten. Zuid-Holland vindt capaciteitsvergroting van wegen en spoor op verschillende plekken onontkoombaar. Delen van het onderliggend wegennetwerk verdienen een extra kwaliteitsimpuls. Er moet geïnvesteerd worden in hoogwaardig regionaal openbaar vervoer. Vooral daar is een kwaliteitssprong nodig, omdat de ontwikkeling ervan ver is achtergebleven. De capaciteit van vaarwegen kan beter benut worden. Voor alle weg- en openbaar vervoerprojecten geldt in ieder geval het volgende:

  • Het verkeers- en transportsysteem moet robuust zijn. Het geheel moet blijven functioneren bij wisselende verkeers- of weersomstandigheden. 
  • Het verkeers- en transportsysteem moet duurzaam zijn. Het moet een goed woon-, werk- en leefklimaat ondersteunen.
  • Ketenbenadering is essentieel in het verplaatsing- en transportsysteem. Het geheel van aanwezige voorzieningen moet optimaal gebruikt worden. Investeren in goede overstapmogelijkheden is noodzakelijk.

Het hier beknopt beschreven mobiliteitsbeleid is vastgelegd in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de Beleidsnota Vaarwegen en Scheepvaart. Het PVVP is in de structuurvisie als uitgangspunt gehanteerd. Alle in de structuurvisie aangegeven nieuwe verkeers- en vervoersinfrastructuur (zie overzicht in bijlage 6.2) mogen in bestemmingsplannen ruimtelijk in ieder geval niet onmogelijk worden gemaakt.


Kaart 4.7.3a Netwerk van infrastructuur en centra

14 Ketenmobiliteit = goede overstapmogelijkheden tussen de verschillende vervoersvormen in de reis van deur tot deur



(Inter)nationaal netwerk – openbaar vervoer

Het (inter)nationale spoorwegennet is vooral een rijksaangelegenheid, maar gezien de ruimtelijke effecten ligt hier ook een provinciaal belang. Het gaat dan om de capaciteitsvergroting op de trajecten Den Haag-Rotterdam en Rotterdam-Gouda. Het is noodzakelijk een hoge graad van dienstverlening te garanderen, zowel op (inter)nationaal (bijvoorbeeld hogesnelheidslijn) als op regionaal niveau (Stedenbaan). Bijzonder project in de capaciteitsvergroting is de aanleg van een spoortunnel in Delft.



(Inter)nationale wegverbindingen

De A16 en delen van de A4 naar België/Frankrijk en de A15 naar Duitsland zijn de belangrijkste achterlandverbindingen in Zuid-Holland. De transportstromen concentreren zich op deze assen. Zo nodig moet de omgeving hieraan worden aangepast.

De A4 is de hoofdslagader van de westelijke Randstad. De A4 verbindt het stedelijk netwerk van Zuid-Holland en Schiphol. De ontwikkelingen rond de luchthaven (met name de bedrijvigheid) zijn van nationaal belang en hebben een grote stuwkracht. De A4 moet daarom over de hele lengte het verkeer goed kunnen verwerken. Daarvoor is op korte termijn realisering van capaciteitsvergroting tussen knooppunt Burgerveen en Leiden van groot belang. Ter hoogte van Leiden zal de Rijnlandroute aan de A4 worden aangehaakt. De aanleg van de ontbrekende schakel A4 door Midden-Delfland is een eerste prioriteit. Daarna komt ook realisering van de A4-zuid (Hoogvliet -Klaaswaal) aan de orde. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing van deze verbinding is noodzakelijk om de effecten op het nationaal landschap te minimaliseren en de leefbaarheid niet aan te tasten. De A4-zuid maakt naar verwachting tevens capaciteitsuitbreiding van het wegvak A29 tussen Klaaswaal en Hellegatsplein noodzakelijk. Ook daarvoor geldt dat een zorgvuldige landschappelijke inpassing noodzakelijk is om de effecten op het nationaal landschap te minimaliseren en de leefbaarheid niet aan te tasten.
Met deze maatregelen is de A4 in de eerste plaats een betere verbinding met het zuiden (Antwerpen) en levert de snelweg tegelijk een bijdrage om de capaciteitsproblemen op de A16 bij de tunnel van Dordrecht en de Moerdijkbrug op te lossen. Tot die tijd functioneert de A16 als de belangrijkste internationale verbinding met het zuiden.

Ook de achterlandverbinding A15 is van essentieel belang voor het vrachtvervoer vanuit de mainport Rotterdam. Dit is een goederencorridor. Daarnaast is de A12/A20 een belangrijke achterlandverbinding naar het noordoosten. De uitvoering van het project A15 Maasvlakte-Vaanplein (verbreding naar 2x2 en 2x3 rijstroken) is een eerste prioriteit. Andere noodzakelijke verbeteringen in het hoofdwegennet van Zuid-Holland zijn de capaciteitsuitbreiding A15 Papendrecht-Gorinchem, de aanleg van A13-16, capaciteitsverruiming op de A12 (project: A12 vernieuwd op weg) en verbreding van de A27 Hooijpolder-Lunetten, inclusief verbreding van de Merwedebrug bij Gorinchem. Daarnaast wordt de verkeersafwikkeling bij belangrijke aansluitingen verbeterd. Dit gebeurt in het kader van het programma hoofdwegennet-onderliggend wegennet.

Uit de landelijke Markt- en Capaciteitsanalyse Wegen blijkt dat grote verkeersproblemen ontstaan ter hoogte van Den Haag en op de Ruit van Rotterdam, ondanks verschillende maatregelen. Met het oog hierop zijn brede MIRT15-verkenningen gestart voor Haaglanden, de Rotterdamse Ruit en de corridor Antwerpen-Rotterdam. In deze verkenningen wordt de verkeersproblematiek in nauwe samenhang met de ruimtelijk- economische ontwikkelingen in beide regio's onderzocht. Vooruitlopend op de uitkomsten van deze verkenningen, acht de provincie in ieder geval de volgende maatregelen (boven de eerdergenoemde) nodig:

  • verruiming van de capaciteit van de A4 in de oostflank van de Haagse Regio, bijvoorbeeld door een parallelstructuur te realiseren;
  • capaciteitsverruiming van de A20 Moordrecht-Nieuwerkerk.

Voor de langere termijn is er nog een nieuwe oeververbinding ten westen van Rotterdam nodig. Hiervoor moeten de tracés voor de twee alternatieven Blankenburgtunnel en Oranjetunnel in de betrokken bestemmingsplannen vrijgehouden worden. Deze verbinding brengt de greenport Westland/Oostland dichter bij de haven. Zij biedt ook een ontsnappingsroute bij calamiteiten voor Voorne-Putten en Rozenburg en realiseert extra capaciteit voor personenvervoer over de weg in de Stadsregio Rotterdam.


Kaart 4.7.3b Basisnetwerk veiligheid en geluid (regionaal) vliegveld

15 MIRT = Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport



Goederenvervoer

Een goede ontsluiting is belangrijk voor de economie en werkgelegenheid van Zuid-Holland. Voor de mainport en de greenports ligt hierbij nog eens extra de focus op goederenvervoer. Goederenvervoer maakt gebruik van weg-, spoor en vaarverbindingen. De provincie wil meer transport over spoor en water laten plaatsvinden. Overslagterminals zoals bij Alphen aan den Rijn en Alblasserdam en slimme inzet van natte bedrijventerreinen zijn hierbij van essentiële betekenis. Om de risico’s, veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen, tot een minimum te beperken, wordt gebruik gemaakt van een provinciedekkend basisnet externe veiligheid.

Bij de Drechtsteden is een spoorcapaciteit- en veiligheidsprobleem met vérstrekkende gevolgen voor woon- en leefomgeving. Bovendien is er een ruimtelijke ordeningsprobleem omdat niet gebouwd kan worden in de spoorzone Dordrecht. Er is een forse toename van goederenvervoer (en ook van gevaarlijke stoffentransport per rail) door Dordrecht. Redenen hiervoor zijn de grote groei van containervervoer vanuit Rotterdam en een verschuiving van transportstromen naar de Betuweroute. Zo vindt het lpg-vervoer van Vlissingen naar Duitsland over de Betuweroute plaats en komt dus eerst door de Drechtsteden.

Een apart goederenspoor is zeer wenselijk. Zo worden achterlandverbindingen vanuit de mainport Rotterdam robuust en korter. Ook hoeft transport van gevaarlijke stoffen dan niet meer door dichtbevolkt stedelijk gebied te gaan. Of dit een 'bypass Dordrecht' kan zijn of een goederenspoorlijn over grotere lengte, is nog onderwerp van studie (ondermeer in de MIRT-Verkenning Antwerpen-Rotterdam). Voor 2020 moet er duidelijkheid zijn over realisering van de goederenspoorlijn Rotterdam-België (RoBel). Tot die tijd moeten in ruimtelijk opzicht de mogelijkheden voor de diverse alternatieven gevrijwaard worden. De Betuweroute moet tegen die tijd optimaal benut worden en aansluiten op een verbinding in noordelijke richting, waardoor transport van gevaarlijke stoffen niet of nauwelijks meer via Gouda en Rotterdam hoeft plaats te vinden. Het optimaal functioneren van het rangeerterrein Kijfhoek is essentieel voor deze achterlandverbinding.



Regionale infrastructuur

Zuidvleugelnet

Het regionale openbaar vervoernetwerk (Zuidvleugelnet) koppelt de belangrijkste stedelijke centra en economische clusters in Zuid-Holland met het (inter)nationale netwerk. Daarmee is het een cruciale onderlegger in het stedelijke netwerk.
Het Stedenbaanconcept vormt de ruggengraat van dit Zuidvleugelnet. Verstedelijking wordt in dit concept gekoppeld aan railvervoer met een dienstregeling waarin treinen in een hoge frequentie rijden. Nieuwe stations worden gerealiseerd bij Sassenheim en Bleizo16.
Het station Bleizo ligt aan de spoorlijn Den Haag-Gouda ter hoogte van de doorgetrokken Zoetermeerse oosttak van Randstadrail. De locatie rond deze vervoersknoop is bedoeld voor een combinatie van innovatieve en kennisintensieve werkfuncties gerelateerd aan de greenportactiviteiten in Lansingerland, de in Zoetermeer gevestigde werkfuncties en leisure. Deze nieuwbouw vervangt verouderde kantorenvoorraad in Zoetermeer, gaat gepaard met het schrappen van planologische voorraad aan kantoren en draagt daarmee bij aan de beoogde kwaliteitsverbetering in het kantorenaanbod.
Na realisering van vier sporen kan er bij Schiedam Kethel ook een Stedenbaanstation geopend worden, waarbij nader bezien zal moeten worden op welke wijze verstedelijking op deze locatie vorm kan worden gegeven. Dit mede in relatie tot de directe nabijheid van Rotterdam /The Hague Airport.

Bij de ontwikkeling van het Zuidvleugelnet gaat het concreet om realisering en uitbouw van de lightrailverbindingen RijnGouwelijn Oost en West, Randstadrail en de MerwedeLingelijn.
Binnen het stedelijk netwerk zijn de volgende projecten aan de orde:

  • ontwikkeling van het netwerk Randstadrail (tramlijnen 1, 9 en 11 in Den Haag);
  • aanleg van de bustangent- Kijkduin, -Harnaschpolder, -Den Haag-zuidwest, -Delft, -Pijnacker,       -Zoetermeer;
  • doortrekken van Randstadrail (oostelijke richting) bij Zoetermeer;
  • aanleg van de hoogwaardig openbaar vervoer-busverbinding Zoetermeer-Rotterdam, in samenhang met de aanleg van de A13-A16;
  • realisering van een hoogwaardig openbaar vervoerverbinding Rotterdam-Rotterdam/The Hague Airport-Delft-Den Haag;
  • realisering van de Hoekselijn en doortrekken daarvan naar het strand, inclusief de koppeling aan de Rotterdamse metro;
  • aanleg van de Ridderkerklijn;
  • realisering hoogwaardig openbaar vervoerverbinding van Noordwijk naar Sassenheim.

Het Zuidvleugelnet wordt gecompleteerd door de Zuidtangent in de Haarlemmermeer door te trekken naar het nieuwe station Sassenheim en door een hoogwaardige openbaar vervoerring in de Drechtsteden te realiseren. Verbetering is noodzakelijk van de buscorridor Duin- en Bollenstreek-Schiphol, waaronder de realisering van een hoogwaardig openbaar vervoerverbinding van Noordwijk naar Sassenheim en de buscorridor Alphen-Schiphol.

16 Bleiswijk-Zoetermeer



Regionale wegverbindingen

Het regionale verkeer blijft zich ontwikkelen. Om het stedelijk netwerk goed te laten functioneren is daarom een kwaliteitssprong in het regionale netwerk vereist. In de As Leiden-Katwijk is de aanleg van de Rijnlandroute cruciaal voor de daar reeds geplande ontwikkelingen. Ook voor de regio en de greenport Bollenstreek is dit essentieel. Planning is dat de provincie op basis van het planMER begin 2011 een tracébesluit neemt. In samenhang met de Rijnlandroute wil Zuid-Holland dat de A44 een regionale weg wordt.

Met het oog op de ontwikkelingen in de Zuidplaspolder is een geheel nieuwe regionale wegenstructuur ontworpen. De parallelverbinding A12-Moordrechtboog is hierin een essentieel gegeven. Andere onderdelen zijn de omleiding van de N219 bij Zevenhuizen en het verleggen van deze verbinding bij Nieuwerkerk aan den IJssel.

De (regionale) bereikbaarheid van Den Haag wordt versterkt door aanleg van het Trekvliettracé en op termijn door de realisering van een volwaardige ringweg om/door de stad: de internationale ring Den Haag.
Voor Rotterdam geldt dat een betere binnenstedelijke noord-zuidverbinding kan leiden tot verbetering van de bereikbaarheid over de weg. Het gaat hier om de stadsweg, goed ingepast in het stedelijk weefsel. Ook de nieuwe stedelijke bouwlocatie Stadshavens moet een goede ontsluiting krijgen.
Andere verbeteringen in het regionale netwerk zijn het 3x1-project in het Westland, verbreding van de Doenkade (N209) vooruitlopend op de aanleg van de A13-16, aanleg van de Zuidwestelijke Randweg bij Gouda en capaciteitsverruiming van de N207 Alphen-Leimuiden/A4.



Regionaal vaarwegennet

De provincie wil het vervoer over water stimuleren. In het provinciaal Verkeers- en Vervoersplan en de provinciale Nota Vaarwegen17 is dit beleid uitgewerkt. Belangrijke maatregelen met een ruimtelijk effect zijn: aanpassingen aan de Julianasluis bij Gouda, bochtafsnijding van de Schie bij Overschie, een overslagterminal bij Alphen aan den Rijn en een goederenterminal voor de Rotterdamse haven bij Alblasserdam. Het is vooral van belang dat er voldoende ruimte voor vaarwegengebonden bedrijvigheid behouden blijft of wordt ontwikkeld. De provinciale vaarwegen zijn op de functiekaart aangegeven. Het vaarwegennet biedt kansen om de ruimtelijke kwaliteit en toegankelijkheid van gebieden te verhogen. In samenspel met de beleidsontwikkeling voor de recreatieve toervaart en het ontwikkelen van een groenblauw netwerk zal het waternetwerk een meer integrale rol spelen.

17 Beleidsnota Vaarwegen en Scheepvaart 2006



Luchthavens en helihavens

De luchthaven Rotterdam/The Hague Airport is van groot belang voor het internationale profiel van Zuid-Holland. Om deze luchthaven goed te laten functioneren is een goede bereikbaarheid van essentieel belang. Naast ontsluiting over de weg (A13, Doenkade en, op termijn, de A13-16) gaat het ook om aansluiting op het Zuidvleugelnet. Behalve een koppeling met Randstadrail moet hiervoor ook een hoogwaardig openbaar vervoerverbinding Rotterdam-Rotterdam/The Hague Airport-Delft-Den Haag komen. Commerciële helihavens zijn binnen strikte normen toegestaan om de economische positie van Zuid-Holland te versterken en wel op twee locaties, één in Haaglanden en één in Rijnmond.



Ondergrondse infrastructuur

Transport via buisleidingen is een alternatief voor vervoer van bulktransport van (gevaarlijke) vloeistoffen en gassen. In Zuid-Holland zijn twee leidingenstroken (Rijnmond-IJmond en Maasvlakte-Voorne-Putten) en een leidingenstraat18 (Pernis-Moerdijk) aanwezig waarin al een groot aantal verbindingen zijn gelegen. Deze verbindingen zijn ook opgenomen in het Structuurschema Buisleidingen van het Rijk. Zij zijn daarmee van nationaal en provinciaal belang. Stimulering van het gebruik van deze tracés is van belang. De ruimtelijke ordening heeft te maken met de veiligheidszones rond deze tracés om het gebruik van deze verbindingen niet te beperken. De leidingenstroken en -straat maken deel uit van het provinciedekkend basisnet externe veiligheid.

18 Het verschil tussen een leidingenstraat en een leidingenstrook is dat in de leidingenstraat geen andere functies dan buisleidingen mogelijk zijn. Deze strook grond is specifiek voor de transportfunctie via leidingen aangekocht en wordt als zodanig beheerd. In een leidingenstrook zijn boven de leidingen wel andere functies mogelijk mits deze voldoen aan de randvoorwaarden die vanuit de transportfunctie worden gesteld



4.7.4 Voldoende aanbod van verschillende woonmilieus

Bij het provinciaal belang 'voldoende aanbod in verschillende woonmilieus' horen de ambities:

  • Accent op stedelijke herstructurering en transformatie met oog voor verschillende woonmilieus. 
  • Kansrijke en innovatieve binnenstedelijke verdichting, vooral rond openbaar vervoerknooppunten. 
  • Woningvoorraad op peil houden voor lage inkomens (30 procent sociale woningbouw). 
  • Bij sturing rekening houden met bevolkingskrimp en leefbaarheid kleine kernen. 
  • Opvang van de bevolkingsgroei in Groene Hart en delta in regionale, goed ontsloten kernen en daartoe aangewezen relatief verstedelijkte zones.

De provincie Zuid-Holland wil in 2020 een betere afstemming tussen vraag en aanbod in woonmilieus. Er is behoefte aan grotere differentiatie. Voor de bepaling van het juiste aanbod zijn verschillende parameters belangrijk, zoals de bereikbaarheid van werk, voorzieningen, recreatie en een verbeterde ruimtelijke inrichting.

De woonmilieubalans 2010-2019 voor Zuid-Holland laat tekorten zien in centrumstedelijke, groenstedelijke en landelijke woonmilieus (zie onderstaande tabel)19. Met name het tekort aan woningen in groenstedelijke woonmilieus is fors. Er zijn overschotten aan geplande woningen buiten het centrum en in dorpse woonmilieus. Deze woonmilieus zijn monofunctioneel en hebben vaak een beperkte voorzieningenstructuur.

Woonmilieubalans Zuid-Holland 2010-2019

  Vraag Aanbod Balans
Centrum stedelijk 40.300 22.600 -17.700
Buiten centrum 31.000 94.000 63.000
Groen stedelijk 71.300 25.800 -45.500
Dorps 34.900 73.600 38.700
Landelijk 13.200 8.100 -5.100
  190.700 224.100 33.400

 Bron: Provincie Zuid-Holland

Zuid-Holland wil aantrekkelijke woonmilieus bieden en aan de veranderde vraag voldoen. Het stedelijk gebied rond openbaar vervoerknooppunten biedt kansen om een multifunctioneel programma te realiseren. Hier wil de provincie een breed aanbod woonmilieus realiseren. Met name centrumstedelijke woonmilieus passen hier. Het 'overig' stedelijk gebied en de uitleglocaties binnen de bebouwingscontour bieden vooral ruimte aan groenstedelijk en landelijk wonen. Om aan de vraag van woonconsumenten te kunnen doen, is onder voorwaarden ruimte voor landelijk wonen mogelijk. Het gaat om woningbouw met een lage dichtheid per hectare, gekoppeld aan investeringen in het landschap. Belangrijk in Zuid-Holland is het aanbod van voldoende woningen in de sociale sector per regio. Voor de totale productie van woningen geldt in beginsel per regio een aandeel van 30 procent bouwen in de sociale sector.

19 Bron: ABF Research (2009), Provincie Zuid-Holland, Monitorsysteem Woningbouwplannen, opgave regio’s



4.7.5 Voorzien in een gezonde leefomgeving

Bij het provinciaal belang 'Voorzien in een gezonde leefomgeving' horen de ambities:

  • Beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. 
  • Ontvlechting van het vrachtgoederenvervoer in de Drechtsteden door de aanleg van RoBel en A4-Zuid. 
  • Provinciedekkend basisnet externe veiligheid toewijzen (vooralsnog alleen wegen) en risicovolle bedrijven hieraan koppelen. 
  • Gebiedsgericht differentiëren in milieukwaliteiten. 
  • Risicovolle bedrijven concentreren.

Leefomgevingskwaliteit neemt af door geluidhinder, geurhinder, overschrijding van de fijnstofnormen en onveilige situaties. Verstedelijking heeft gevolgen voor de sociale en fysieke veiligheid in de provincie. Fysieke veiligheid is een provinciaal belang. De fysieke veiligheid van de inwoners van Zuid-Holland wordt meegenomen in de ruimtelijke inrichting. Het gaat hierbij om het voorkomen van rampen waarbij grote groepen mensen tegelijk worden getroffen. Maatgevend is onder andere het overstromingsrisico en de externe veiligheid. Dit laatste heeft betrekking op ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Vanwege het belang van een goede leefomgevingskwaliteit zijn er zones langs belangrijke verstorende bronnen. In Zuid-Holland gaat het om: hogere milieuhinder categorie bedrijven (HMC), Kijfhoek, Rotterdam/The Hague Airport, Schiphol en infrastructuur in het algemeen. Voor luchtkwaliteit, geluidhinder en het plaatsgebonden risico gelden wettelijke rijksnormen. Voor geurhinder, groepsrisico en HMC bestaat aanvullend provinciaal ruimtelijk beleid. Indien door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt, moet dit bestuurlijk worden afgewogen. Op basis van een verantwoord groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde. Hierbij hanteert de provincie de Champ-methodiek als toetsingskader. Langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn bebouwingsvrije zones langs de oevers op kaarten behorend bij de Verordening Ruimte vastgelegd. De Ke-contouren voor Rotterdam/The Hague Airport en Schiphol zijn op kaart 4.7.3b aangegeven.



4.8 Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap

Met de Zuid-Hollandse delta, de kust en het grootste deel van het Groene Hart liggen omvangrijke delen van de open ruimte van de Randstad binnen de grenzen van onze provincie. Deze landschappen kunnen worden beschouwd als uniek in Europa. Binnen deze landschappen is onderscheid te maken tussen grote open eenheden en de kleinere en veelal ook kleinschalige gebieden onder stedelijke invloed. De grote eenheden worden in dit hoofdstuk behandeld. In grote lijnen gaat het om de waarden en venen in het Nationaal Landschap Groene Hart, de kustzone en verder de Zuid-Hollandse eilanden in de delta. Vanwege de landschappelijke kwaliteiten van Voorne-Putten, dat bestuurlijk deel uitmaakt van de Zuidvleugel, is ook dit gebied hier beschreven. De gebieden onder stedelijke invloed (provinciale landschappen en groenblauw netwerk) worden behandeld in paragraaf 4.9.

In de grote landschappelijke eenheden zet Zuid-Holland zich in voor behoud van leefbaarheid en economische vitaliteit van het landelijk gebied en realisering van een robuust natuur- en watersysteem. De provincie wil het landschap in Zuid-Holland met alle kernkwaliteiten gebiedsgericht versterken. De kernkwaliteiten in algemene zin zijn diversiteit, openheid, rust en stilte.

De provincie benoemt de volgende provinciale belangen om een vitaal, divers en aantrekkelijk landschap te realiseren:

  • Ontwikkelen en behouden van vitale en waardevolle landschappen. 
  • Cultuurhistorische Hoofdstructuur behouden. 
  • Verbetering belevingswaarde en vermindering verrommeling van het landschap. 
  • Realiseren van een complete Ecologische Hoofdstructuur.


Kaart 4.8 Vitaal landelijk gebied



4.8.1 Ontwikkelen en behouden van vitale en waardevolle landschappen

Bij het provinciaal belang 'ontwikkelen en behouden van vitale en waardevolle landschappen' horen de ambities:

  • Opvang van bevolkingsgroei in regionale, goed ontsloten kernen en relatief verstedelijkte zones. 
  • Balans tussen economische ontwikkelingen in de landbouw en de verduurzaming van deze sector. 
  • Ruimte geven aan economische dragers in deze gebieden die passen bij de kernkwaliteiten. 
  • Behoud kernkwaliteiten landelijk gebied, met bijzondere aandacht voor natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 
  • Behoud landbouw als economische kracht en hoeder van het landelijk gebied en stimuleren verbreding van de landbouw. 
  • Gedifferentieerde omgang met landbouw binnen randvoorwaarden van de kernkwaliteiten in relatie tot de bodemdaling en verzilting. 
  • Belangrijke weidevogelgebieden beschermen. 
  • Biodiversiteit van flora en fauna als drager voor een ecologisch duurzaam landschap. 
  • Herstellen van het natuurlijk karakter (veenweidegebied, estuariene dynamiek). 
  • Mogelijkheden zoeken voor kleinschalige en bijzondere woon/werkmilieus.


4.8.1.1 Ontwikkelen en behouden van vitale landschappen

De vitaliteit van het landelijk gebied wordt beïnvloed door de demografische en economische ontwikkelingen. De ontwikkeling van de bevolkingsgroei in Zuid-Holland laat zien dat het inwonertal van het Groene Hart nauwelijks meer groeit en het groeitempo in de Zuid-Hollandse delta sterk is gedaald. De economische ontwikkeling wordt sterk beïnvloed door de ontwikkeling van de agrarische sector (greenports en de landbouw) en recreatie.



Wonen en bevolkingsgroei

Vitaliteit van het landelijk gebied betekent onder meer dat de kwaliteit van de gebouwde omgeving (de kernen) in het landelijk gebied goed is en mensen binnen redelijke tijd toegang hebben tot voorzieningen. Daarom is afstemming tussen wonen, werken, voorzieningen en infrastructuur belangrijk. De ontwikkeling van de dorpskernen in het landelijk gebied vindt plaats binnen bebouwingscontouren. Hierdoor blijven wonen en werken geconcentreerd. Voor woningbouw geldt daarbij migratiesaldo nul als bovengrens. De strekking van het migratiesaldo nulbeleid is het geven van een maat voor de verstedelijkingsopgave en de inzet voor de Uitvoeringsagenda. Voor het landelijk gebied buiten de Zuidvleugel (Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en het Groene Hart, voor zover gelegen buiten de Leidse regio en buiten Haaglanden) gaat de provincie op regionaal niveau of gebiedsniveau uit van minimaal een 50-50- verhouding (minimaal 50 procent binnen bestaand bebouwd gebied en maximaal 50 procent in uitleggebieden binnen de contour). Kernen in het landelijk gebied mogen uiteraard wel een hoger percentage binnen het bestaand bebouwd gebied bouwen. Sommige kernen hebben binnen de contour geen uitleggebieden. Daar kan dus alleen binnen het bestaand bebouwd gebied worden gebouwd of in andere kernen binnen regionaal verband waar nog wel uitlegruimte beschikbaar is. Omdat Voorne-Putten deel uitmaakt van de Stadsregio Rotterdam valt het eiland ook onder de afspraak met de Zuidvleugelpartners wat betreft de bouwopgaven (80-20 procent).

Het is in beginsel aan de regio om binnen migratiesaldo nul20 een verdeling van de opgave over de gemeenten te maken. Voor de sociale woningbouw is het uitgangspunt 30 procent van de totale productie per regio. Binnen de regio kan dit variëren afhankelijk van het bestaande voorraad en de vraagontwikkelingen. Monitoring kan uitwijzen dat dit uitgangspunt voor een regio dient te worden aangepast. Dit betreft ook het zorgdragen voor een voldoende gedifferentieerd aanbod van woonmilieus. In bebouwingslinten is alleen incidentele toevoeging van bebouwing mogelijk, onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Voor een beperkt aantal locaties worden nieuwe concepten van bijzondere vormen van landelijk wonen onderzocht.
De afnemende bevolkingsgroei van het Groene Hart en de Zuid-Hollandse delta is voor Zuid-Holland een belangrijk aandachtspunt. Voor 2020 wil zij een gezamenlijke strategie hiervoor ontwikkelen.

20 De bestuurlijke afspraken zijn gebaseerd op dit uitgangspunt



Landbouw

De landbouw is een belangrijke sector in de Zuid-Hollandse economie en is voor grote delen van het Groene Hart en de Zuid-Hollandse delta de drager van landschappelijke kwaliteit. De relaties tussen landbouw, natuur en landschap veranderen. De meer industriële productiewijzen in de landbouw zijn lastiger te combineren met belangen op het gebied van natuur en landschap. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering stelt nieuwe eisen aan de landbouw. Grootschalige, niet-grondgebonden veehouderij is gebiedsvreemd voor het landelijk gebied in Zuid-Holland. Er worden geen mogelijkheden geboden voor nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

De provincie wil ruimte scheppen voor landbouw in gebieden waar zij een duurzaam, economisch rendabel perspectief heeft. Een groot beroep wordt gedaan op de innovatiekracht van de sector. Dit zal niet in de gehele provincie mogelijk zijn. Er zijn gebieden waar de productieomstandigheden niet concurrerend zijn of worden, of gebieden waar vanuit oogpunt van duurzame ontwikkeling zware restricties noodzakelijk zijn én blijven. Daar waar de toekomst van de landbouw niet rendabel wordt geacht zijn keuzen nodig. Hierbij zijn verschillende oplossingsrichtingen denkbaar: In deze gebieden kan er enerzijds worden gekozen de landbouw te ondersteunen om maatschappelijke belangen als natuur en landschap in stand te houden. Anderzijds kan er worden gekozen dit maatschappelijk belang op een andere manier te realiseren. Doelmatigheid en kosteneffectiviteit zijn hierbij belangrijke afwegingscriteria.

De uiteenlopende randvoorwaarden per gebied op grond van klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en economie zijn vertaald in vier verschillende categorieën. Die geven aan wat als belangrijke ontwikkelingen wordt gezien in het betreffende gebied. Op wat voor manier de landbouw hierop kan inspelen en op welke manier de provincie dit wil faciliteren (ruimte voor schaalvergroting en/of verbreding) wordt nader uitgewerkt in de Agenda Landbouw. Deze Agenda Landbouw wordt samen met betrokken partijen opgesteld.



Agrarisch landschap - inspelen op verbinding stad-land

Stimuleren van verbrede landbouw gebeurt vooral in gebieden onder invloed van steden. Dat zijn in hoofdzaak de provinciale landschappen en Voorne-Putten. Naast voedselproductie zal de ondernemer andere diensten kunnen leveren, mede omdat de ruimte voor schaalvergroting in deze gebieden relatief beperkter is. Een aantal bedrijven is in staat om via schaalvergroting zich verder te ontwikkelen. Kansrijke mogelijkheden voor landbouwbedrijven die niet verder kunnen uitbreiden en/of geconfronteerd worden met ruimtelijke beperkingen, zijn onder meer (verblijfs)recreatie, streekeigen producten, groenblauwe diensten, educatie en zorg. Ook agrarisch natuur- en landschapsbeheer dragen bij aan stedelijke wensen voor een afwisselend en aantrekkelijk landschap.



Agrarisch landschap - risico's op verzilting

Door de keuze van herstel van estuariene dynamiek en vanwege autonome ontwikkelingen neemt in een aantal gebieden het risico op verzilting toe. Voor deze gebieden is het van belang tijdig te zoeken naar innovatieve oplossingen voor de landbouw in een verziltende omgeving. Deze oplossingen reiken van zoeken naar alternatieve zoetwatervoorziening voor de bestaande teelten tot de landbouw aanpassen aan een verziltende omgeving (bijvoorbeeld door andere gewassen). Mogelijk liggen in dit soort gebieden ontwikkelingskansen voor veeteelt. De mogelijkheid tot schaalvergroting is een belangrijke voorwaarde voor een blijvend economisch perspectief. Ook verblijfsrecreatie als neventak op het landbouwbedrijf biedt perspectief gezien de combinatie van rust, nabijheid van stranden en de deltawateren.



Agrarisch landschap, inspelen op bodemdaling

De water- en bodemproblematiek in de veenweidegebieden is complex en samenhangend. Knelpunten zijn er binnen de volledige breedte van het waterbeheer: het gaat niet alleen om bodemdaling, maar ook om versnippering van het watersysteem, slechte waterkwaliteit (droge periodes) en wateroverlast (natte periodes). Om bodemdaling af te remmen geldt als vertrekpunt:
‘Substantieel afremmen van de bodemdaling binnen een robuust en klimaatbestendig watersysteem, zodanig dat het op lange termijn goed betaalbaar en beheersbaar is en dat rekening wordt gehouden met behoud en ontwikkeling van de landschappelijke kernkwaliteiten’.

Deze gebieden vallen samen met de prioritaire gebieden uit de Voorloper Groene Hart. Dit zijn (delen van) de Alblasserwaard, Krimpenerwaard, Gouwe Wiericke en de Venen/Nieuwkoop. De melkveehouderij vormt in deze gebieden de kurk waar het beheer van de open grootschalige veenweiden op drijft. Aanpak van het afremmen van de bodemdaling vindt plaats via integrale gebiedsprocessen met betrokkenheid en draagvlak van de streek. Door vernatting, mogelijk in combinatie met innovaties als onderwaterdrainage kan gewerkt worden aan het verminderen van bodemdaling. Echter, de kostenstructuur voor het melkveehouderijbedrijf zal hoger zijn dan in productiegebieden met draagkrachtige grond. Structuurverbetering door kavelruil blijft voor deze gebieden een belangrijk instrument om huiskavels te vergroten.In de Agenda Landbouw zal de provincie aangeven welke rol zij wil spelen en welke ruimte aan de landbouw (bijvoorbeeld schaalvergroting of verbreding) wordt gegeven. Van belang blijft het behouden van het unieke Hollandse landschap van openheid, slagenverkaveling met lange kavels en vele sloten. Beheerdiensten, gericht op weidevogels, botanisch interessante slootkanten en waterberging leveren opbrengsten op. Verbreding van de bedrijfsvoering door (verblijfs)recreatie, streekeigen producten, educatie en zorg kan daar ook aan bijdragen.

In de landbouwgebieden met veengronden die kwetsbaar zijn voor oxidatie bij bodembewerking, is de mogelijkheid van ruwvoerteelten (bijvoorbeeld maïsteelt) beperkt. Vooralsnog wordt het bestaand ruimtelijk beleid gecontinueerd. Dit betekent dat op maximaal 20 procent van het bedrijfsoppervlak dat in de op de kaart 4.8.1.1 aangeduide A-plusgebieden valt, ruwvoerteelten niet zijnde gras verbouwd mogen worden.


Kaart 4.8.1.1 A-plus gebieden

De provincie wil, mede op grond van de Voorloper Groene Hart, voor het afremmen van bodemdaling een verandering doorvoeren naar ander beleid. Inzet is dat de 20 procent-regeling uit 2003 omgebogen wordt tot een regeling die, naast landschappelijke waarden, ook gevoeligheid voor bodemdaling bij bodembewerking van de veengronden meeneemt. De provincie wil dit samen met betrokken partijen gebiedsgericht uitwerken. Dit wordt aangepakt via de Agenda Landbouw en wordt zonodig daarna met een herziening overgenomen in de structuurvisie. De provincie is voornemens een kaart te maken met de ligging van de gebieden die wel/mogelijk/niet kwetsbaar zijn voor oxidatie bij bodembewerking. In de gebiedsgerichte uitwerking kan deze driedeling vertaald worden naar:

  • wel: verbod op ruwvoerteelten met bodembewerking; 
  • mogelijk: verbod, tenzij aantoonbaar gemaakt kan worden dat het hier geen gronden betreft die kwetsbaar zijn voor oxidatie bij bodembewerking. Criteria betreffen de dikte van het veenpakket, de aanwezigheid van afsluitende kleilagen, de snelheid van bodemdaling en het soort veen;
  • niet: geen beperking op bodembewerking zolang niet meer dan 20 procent van het bedrijfsoppervlak wordt gebruikt voor ruwvooerteelten met bodembewerking.

Dit geldt zowel voor de prioritaire als de niet-prioritaire gebieden. Het scheuren voor graslandverbetering is wel toegestaan.



(Overig) agrarisch landschap

Een aantal (delen van) landbouwgebieden past niet in de bovengenoemde categorieën. Verbreding ligt niet voor de hand. Bijdragen aan een duurzame voedselproductie wel. Innovatie, schaalvergroting en structuurversterking blijven belangrijk om internationaal te kunnen concurreren. Akkerbouw en melkveehouderij zorgen ook in deze gebieden dat openheid kenmerkend blijft.



Recreatie en toerisme in het landelijk gebied

Gebieden

Niet alleen de landschappen in de directe omgeving van de stad (zie paragraaf 4.9) maar ook de landschappen buiten de invloedsfeer van de stad zijn recreatief van groot belang. Deze gebieden hebben een hoge belevingswaarde vanwege de afwisseling van landschap en vegetatie en de mate van rust die ervaren wordt. Een hoogwaardig groenblauw netwerk door het landelijk gebied, waar men kan wandelen, fietsen en varen, zorgt ervoor dat het gebied bruikbaar is voor de beleving van het landschap. Hier wordt voorzien in de behoefte aan rust en ruimte. Ook binnen het landelijk gebied zijn er recreatiegebieden. Deze gebieden zijn veelal gekoppeld aan golfterreinen of zijn eerder in landinrichtingsverband aangelegd.



Recreatieve netwerken

Recreatie in het landelijk gebied vraagt om een goede ontsluiting. Voor de ontsluiting van het landelijk gebied worden recreatietransferia ontwikkeld. Dit zijn recreatieknooppunten waar diverse vormen van recreatie bijeenkomen en die ook goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer of met de auto. De provincie zet zich onder andere in om knelpunten in de toegankelijkheid van het gehele landelijk gebied op te lossen, nieuwe recreatieve verbindingen te realiseren en onverharde paden voor wandelaars te behouden. De knelpunten hebben betrekking op barrières door snelwegen, spoorwegen en vaarwegen.
Het basistoervaartnet van de Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland wordt in stand gehouden en waar mogelijk uitgebreid voor een aantrekkelijk netwerk voor de kleine watersport en de recreatietoervaart. Recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied kunnen bijdragen aan verbreding van de economie, o.a. in combinatie met de agrarische bedrijfsvoering. De kroonjuwelen cultuurhistorie en de beschermde stads- en dorpgezichten in het landelijk gebied dragen bij aan de recreatieve en toeristische waarde.
 



Verblijfsrecreatie

Op de functiekaart is een aantal locaties aangeduid als verblijfsrecreatiegebied. Onder deze aanduiding vallen campings en complexen van recreatiewoningen. Deze recreatieve voorzieningen zorgen vaak voor een belangrijke economische impuls voor de omgeving in de vorm van werkgelegenheid en bestedingen in de recreatieve en toeristische sfeer. Om deze functie te behouden is permanente bewoning in deze complexen uitgesloten; dit in aansluiting op het rijksbeleid. Daarom zijn deze gebieden, ondanks hun meer dorpsachtige voorkomen, niet voorzien van een bebouwingscontour. Zij worden niet gerekend tot de stedelijke voorzieningen. Dit sluit overigens niet uit dat er binnen bebouwingscontouren dergelijke voorzieningen kunnen worden ontwikkeld. Uitbreiding van bedrijfsmatig geëxploiteerde complexen is mogelijk onder de strikte voorwaarde dat de kernkwaliteiten in het landelijk gebied niet worden aangetast en er sprake is van een duidelijk voordeel voor de omgeving. Onder dezelfde voorwaarden zijn nieuwe locaties voor verblijfsrecreatie mogelijk waar deze op de functiekaart zijn aangeduid als zoeklocatie verblijfsrecreatie. In de provinciale landschappen ligt het accent op de bruikbaarheid voor de recreërende stedeling. Daarom is hier nieuwe vestiging van verblijfsrecreatie uitgesloten. Deze beleidsinzet is in overeenstemming met de AMvB Ruimte voor de rijksbufferzones (in Zuid-Holland: Midden-Delfland, Den Haag-Leiden-Zoetermeer en IJsselmonde-Oost).



Zweefvliegen

In het landelijk gebied van Zuid-Holland zijn twee locaties waar zweefvliegen en motorzweefvliegen mogelijk is: het voormalig vliegveld Valkenburg en een locatie in de duinen bij Langeveld (Noordwijk). De locatie Valkenburg zal vanwege de bouwtaak daar op termijn opgeheven worden. Onderzoek naar vervangende zweefvlieglocaties voor Valkenburg heeft geen haalbare alternatieven binnen de provincie opgeleverd. De zweefvlieglocatie Valkenburg wordt in ieder geval zo lang mogelijk opengehouden, totdat deze locatie voor woningbouw ontwikkeld gaat worden. Onderzocht wordt of dit definitief inpasbaar is. Voor de zweefvlieglocatie Langeveld zal in het op te stellen beheerplan Natura2000 Kennemerland-Zuid duidelijk moeten worden of en hoe de zweefvlieglocatie Langeveld kan worden voortgezet in dit Natura2000-gebied.



4.8.1.2 Ontwikkelen en behouden van waardevolle landschappen

Zuid-Holland wil dat de afwisseling in landschappen en de kenmerkende waardevolle landschappen behouden blijven. Op grond van de verschillen in bodem, ontstaansgeschiedenis, het huidige gebruik en de verschijningsvorm is een onderscheid gemaakt. De belangrijkste kwaliteiten van deze landschappen worden hieronder benoemd. Dit zijn de kwaliteiten die terugkomen op de kwaliteitskaart. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijvoorbeeld de identiteit van gebieden versterken door oude verkavelingspatronen zichtbaar te maken. Ook betekent dit dat delfstoffenwinning zoals zandwinning alleen mag plaatsvinden wanneer de ontwikkeling en afwerking van de locatie aansluit bij de doeleinden van het gebied. Op de kwaliteitskaart is een verzameling van kenmerkende landschapselementen aangegeven die in veel van de landschappen het beeld mede bepalen. Vaak maken zij ook deel uit van het groenblauwe netwerk. Het betreft de volgende landschappen.



Veenweidelandschap

De veenweiden zijn kenmerkend voor Zuid-Holland. Ze bestaan al duizend jaar en zijn ontstaan op basis van menselijke ingrepen in de veenondergrond en de waterhuishouding. Karakteristiek zijn de verschillende (regelmatige) verkavelingspatronen met smalle kavels en veel sloten met hoog waterpeil en de aanwezigheid van kades, lintdorpen, oude dorpskernen, kronkelende veenriviertjes, openheid, grasland, vee, (weide) vogels, en hier en daar rietlanden en moeras. Het zijn internationaal de best bewaarde cultuurlandschappen die zijn ingericht voor de landbouw.



Veenweide-krekenlandschap

Het veenweide-krekenlandschap bestaat uit veenontginningen (zie boven) met herkenbare kreekruggen en kreekrestanten. Het is een agrarisch cultuurlandschap met diverse verkavelingspatronen en een hooggelegen boezemsysteem. Openheid is een leidende kwaliteit. Het microreliëf maakt het landschap en zijn ontstaansgeschiedenis leesbaar.



Droogmakerijenlandschap

Droogmakerijen zijn ontstaan door (delen van) meren en plassen in het veengebied te bedijken en leeg te malen. Het landschap is visueel open, met een regelmatig, bedacht patroon van weiden en akkers en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedteverhouding zijn uniek. De meeste drooogmakerijen zijn omringd door ringvaarten met boezemkaden.



Plassenlandschap

Dit is een waterrijk, halfbesloten landschap, bestaande uit waterplassen, riet en moeras en cultuurhistorisch waardevolle veenontginningen. De structuur van de ontginning is vaak nog herkenbaar. Dorpsontwikkeling vindt plaats in langgerekte linten, omsloten door water.



Rivierenlandschap

Het rivierenlandschap omvat binnendijks en buitendijks rivierengebied. Het binnendijks gebied bestaat uit oeverwallen, kommen, grienden en bossen. Kleinschalige ruimten op de oeverwallen en grootschalige ruimten en grondgebruik in de kommen. Buitendijks liggen de rivieren zelf, gekenmerkt door langgerekt en stromend open water, omzoomd met rietgorzen. Hoge dijken en dijkbebouwing begrenzen de rivieren.



Buitendijks (natuur)landschap

Het rivierenlandschap omvat binnendijks en buitendijks rivierengebied. Het binnendijks gebied bestaat uit oeverwallen, kommen, grienden en bossen. Kleinschalige ruimten op de oeverwallen en grootschalige ruimten en grondgebruik in de kommen. Buitendijks liggen de rivieren zelf, gekenmerkt door langgerekt en stromend open water, omzoomd met rietgorzen. Hoge dijken en dijkbebouwing begrenzen de rivieren.



Sierteelt-veenlandschap

In het veenweidegebied is een kleinschalig besloten landschap met sier- en boomteelt en vollegrondsteelt ontstaan. Cultuurhistorische waarden in het sier- en boomteeltlandschap zijn naast de de kleinschaligheid, de ontginningslinten en brede sloten. Door intensivering van de sierteelt verandert het gebied: toename van glastuinbouw en demping van sloten gaat ten koste van de karakteristieke waarden.



Zeekleipolderlandschap

Dit landschap wordt gekenmerkt door een opeenvolgend patroon van (ronde) opwaspolders en (langgerekte) aanwaspolders, met een kleinschalig dijkenpatroon. Kreken en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders met overwegend akkerbouw. Dorpen liggen als compacte kernen in het open landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen. Een bijzondere vorm binnen het zeekleigebied zijn de veenpolders. Deze hebben een veenkern en zijn de eerste bedijkte polders (opwas). Kenmerkende elementen zijn de havenkanalen.



Veenpolderlandschap

Temidden van de zeekleipolders liggen ingedijkte ‘restanten’ van het oude veenlandschap. Kenmerkend zijn het kleinschalig dijkenpatroon, de relatief onregelmatige verkaveling, openheid, resten van kreken en grasland als agrarisch gebruik.



Kustlandschappen

Tezamen vormen onderstaande landschappen het karakteristieke kustlandschap van Zuid-Holland: een samenhangende en herkenbare opeenvolging van jonge duinen, besloten binnenduinranden, beboste strandwallen en open strandvlakten, parallel aan de kustlijn. Deze landschapsstructuur wordt in hoge mate versterkt door de omvangrijke landgoederenzone en het bollen- zanderijenlandschap.



Duinlandschap

Reliëfrijk, overwegend niet gecultiveerd zandlandschap van jonge duinen. Een belangrijke kwaliteit is de ruimte voor natuurlijke processen, zoals verstuiving, vernatting en bosvorming. Het is overwegend kleinschalig en afwisselend besloten tot halfopen landschap.



Landgoederenlandschap

Afwisselend landschap van langgerekte, oude duinen (strandwallen) en open, venige strandvlakten. Hier is de landschapsgradiënt van duin naar veen nog herkenbaar en ongestoord terug te vinden. Kwaliteiten in dit landschap zijn de aanwezigheid van historische buitenplaatsen en landgoederen, volgroeide bossen en open ruimte van de strandvlakte met deels agrarische functie.



Bollen-zanderijenlandschap

Het bollen-zanderijenlandschap is een uniek landschap in Nederland, ontstaan door het vergraven van de oude duinen en strandwallen en aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Het landschap is overwegend vlak, open tot halfopen. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de restanten van het landgoederenlandschap en duinlandschap. Mede door intensivering van de bollenteelt dreigen versnippering en verrommeling inmiddels ook kenmerkend te worden.



Schurvelingenlandschap

Een schurveling is een beplante zandwal met een hoogte variërend van 1 tot 3 meter rondom een akker. De zanderige akkers van de binnenduinrand waren niet erg vruchtbaar, maar iets dieper lag vruchtbare klei en grondwater. Ongeveer eind 19e eeuw werd het zand weggehaald en rondom de akker gelegd. Zo ontstonden kleine akkertjes omringd door zandwallen. Kleinschalige bebouwingslinten in een rasterpatroon en elzenhagen completeren dit unieke landschap.



4.8.1.3 Groene Hart

In het Groene Hart is behoud en ontwikkeling van de onderscheiden waardevolle landschappen gekoppeld aan verschillende opgaven. Deze worden per gebied benoemd. Per (deel)gebied worden de kwaliteiten toegelicht en wordt de samenhang met deze gebiedsopgaven uitgewerkt.

Versterking van de landschappelijke kwaliteit richt zich globaal op de vier kernkwaliteiten die benoemd zijn in de Voorloper Groene Hart: landschappelijke diversiteit, veenweidekarakter (inclusief de strokenverkaveling en lintbebouwing), openheid en rust & stilte. De kernkwaliteiten in de deelgebieden voor het Groene Hart hebben de gezamenlijke Groene Hartgemeenten en -provincies uitgewerkt in de Kwaliteitsatlas Groene Hart.
De versterking van het landschap wordt gecombineerd met de ruimtelijke uitwerking van de kernopgaven die zijn vastgelegd in het Provinciaal Waterplan: waarborgen waterveiligheid, realiseren mooi en schoon water, ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening en realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem en de Ecologische Hoofdstructuur.
De landbouw, de (melk)veehouderij, is naast de natuur een belangrijke drager van de kernkwaliteiten van een groot deel van het Groene Hart en zal waar mogelijk de ruimte voor ontwikkeling krijgen.
Een ander aspect is het benutten van de economische waarde van deze kwaliteiten. Dit kan zowel via toerisme en recreatie als via de kwaliteiten van woon- en werkmilieus in dit gebied en het nabijgelegen stedelijk netwerk.



Indeling in deelgebieden

In de Voorloper Groene Hart is onderscheid gemaakt naar metropolitane landschappen en grote landschappelijke eenheden: de waarden en de venen. Deze indeling is vergelijkbaar met provinciale landschappen en grote landschappelijke eenheden in deze structuurvisie. In Zuid-Holland gaat het om de provinciale landschappen Hollands Plassengebied, Land van Wijk en Wouden en Bentwoud-Rottemeren. Deze maken onderdeel uit van de hoofdopgave Stad en Land verbonden. Zie daarvoor paragraaf 4.9. De grote landschappelijke eenheden zijn in deze paragraaf beschreven in de gebiedsonderdelen Nieuwkoop de Venen, Gouwe Wiericke, Krimpenerwaard en Alblasserwaard/Vijfheerenlanden. In deze gebiedsindeling worden de belangrijkste opgaven behandeld. Dwars door deze deelgebieden loopt de Groene Ruggengraat (zie paragraaf 4.8.4).


Figuur 4.8.1.3 Deelgebieden vitaal landelijk gebied



Nieuwkoop/De Venen

Dit gebied is een staalkaart van de geschiedenis van het Groene Hart. Een combinatie van veenweidelandschap, plassen- en moeraslandschap en droogmakerij, met markante overgangen hiertussen. Er zijn duidelijke contrasten tussen, maar deels ook mengvormen van, landbouw, recreatie/toerisme en natuur. Het gebied straalt rust én dynamiek uit en is waterstaatkundig een ingenieus samenhangend geheel.

Gebiedsopgaven

  • In de Venen zijn er in de planperiode diverse ontwikkelingen met ruimtelijke effecten aan de orde zoals herstructurering en transformatie glastuinbouw, nieuwe woningbouw, natuurontwikkeling. 
  • Transformatiegebied rond de noordwestelijke bovenlanden langs de Amstel en het Aarkanaal. Deze hebben een verstedelijkt karakter met veel glastuinbouw waarvan een gedeelte aan herstructurering toe is. Deze transformatie en herstructurering moeten aangegrepen worden voor een landschappelijke kwaliteitsslag, mogelijk met een kwaliteitssprong in het woonaanbod. 
  • De glastuinbouw is in Nieuwkoop/De Venen georiënteerd op de greenport Aalsmeer.
  • Aan de noordoostgrens van het deelgebied is een gave overgang tussen droogmakerij en bovenland herkenbaar. Hier geldt een op behoud gerichte aanpak. 
  • De herinrichting van de oude glastuinbouwlocatie Noordse Buurt tot een natuurgebied. Deze locatie heeft veel verouderde glasopstanden. Om deze transformatieopgave te realiseren zijn enkele bebouwingscontouren rond de Nieuwkoopse kernen vergroot en is het glastuinbouwgebied Nieuw Amstel in oostelijke richting uitgebreid. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om 430 extra woningen te realiseren en 59 hectare bruto glas. Afgezien van de bouwbeperkingen die in dit gebied gelden binnen de 20KE-contour van Schiphol, moeten de bouwplannen getoetst worden op hun landschappelijke kwaliteit en vergezeld gaan van een beeldkwaliteitsplan. 
  • De Polder Nieuwkoop is een polder met een urgente wateropgave. Daarnaast is dit gebied aangewezen als prioritair gebied afremmen bodemdaling. In het kader van de Voorloper Groene Hart is voorgesteld om via een gebiedsproces op regionale schaal te zoeken naar oplossingen; deze opgaves dienen dan ook zoveel mogelijk samengenomen te worden en op regionale schaal bezien. Het voornemen van de transformatie van de Noordse Buurt kan in dit proces betrokken worden.


Gouwe Wiericke

Gouwe Wiericke bestaat uit veenweidelandschap met een markante droogmakerij (Middelburg-Tempelpolder) en plassen- en moerassenlandschap. Water komt in verschillende vormen en functies voor en vormt een belangrijke kwaliteit en uitgangspunt bij veranderingen (verdedigingswerk, kanaal, rivier, plassen en sloten).

Gebiedsopgaven

  • Afremmen bodemdaling in samenhang met realisering van de Groene Ruggengraat en de urgente wateropgave van de Middelburg-Tempelpolder. De droogmakerij is nauw gerelateerd aan de waterproblematiek in de daarnaast gelegen greenport Boskoop en kent raakvlakken met de aanpak van de bodemdaling. In het kader van de Voorloper Groene Hart is voorgesteld om in dergelijke gebieden in een gebiedsproces op regionale schaal te zoeken naar oplossingen. 
  • Het gebied vormt het zuidelijke venster van de A12 en het Groene Hartpanorama vanuit de spoorlijn Utrecht-Gouda. 
  • Behouden van de grondgebonden veehouderij als drager van het open weidelandschap door ontwikkeling binnen de bestaande kwaliteiten van de Reeuwijkse Plassen.
  • Zonering van het intensieve recreatiegebruik door de ontwikkeling van een recreatietransferium nabij de Reeuwijkse plassen.


Krimpenerwaard

De Krimpenerwaard is een open veenweidelandschap omsloten door rivieren (Lek, Hollandse IJssel en Vlist). Rust en stilte, openheid, lint- en dijkdorpen en het veenweidekarakter met hoog waterpeil vormen de kernkwaliteiten van deze waard. Typerend voor de Krimpenerwaard is de slagenverkaveling met zeer lange en smalle kavels, afgewisseld door veelal brede sloten. Er heeft in de Krimpenerwaard een uitgebreid gebiedsproces plaatsgevonden met een herverdeling van functies: het Veenweidepact Krimpenerwaard. Dit pact kent vijf doelen: de aanleg van nieuwe natuur (2450 ha), duurzaam waterbeheer en afremmen van bodemdaling, versterken van de landbouwstructuur, extra kansen voor toerisme en recreatie en stimuleren van vernieuwend ondernemerschap. In het pact werken overheden en maatschappelijke organisaties samen aan de toekomst van de Krimpenerwaard.

Gebiedsopgaven

  • Bodemdaling afremmen. 
  • Realiseren van een robuust watersysteem. 
  • Groene Ruggengraat en samenhangend daarmee structuurverbetering voor de landbouw realiseren.


Alblasserwaard/Vijfheerenlanden

De Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is een grootschalig, open veenweidelandschap, omsloten door de grote rivieren Lek en Merwede. De hoofdstructuur van de waarden loopt evenwijdig aan deze rivieren. Rust en stilte, openheid, lint- en dijkdorpen en het veenweidekarakter met hoog waterpeil vormen de kernkwaliteiten van deze waarden. De Vijfheerenlanden is een overgangszone tussen het veenweidelandschap van de waarden en het rivierenlandschap van Gelderland. Het Merwedekanaal vormt globaal de scheiding tussen Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In delen van Vijfheerenlanden is de voor het rivierengebied kenmerkende fruitteelt aanwezig. De westkant en zuidrand van de Alblasserwaard zijn onderdeel van de Drechtsteden en de Merwedezone en kennen langs de rivieren een sterk verstedelijkt karakter. De bedrijventerreinen langs de rivier zijn veel in gebruik door bedrijven, gerelateerd aan de mainport Rotterdam: baggerbedrijven, offshore, scheepsbouw en dergelijke.

Gebiedsopgaven 

  • In de Alblasserwaard/Vijfheerenlanden betreft het: een perspectief bieden voor de landbouw als drager van het veenweidekarakter, perspectief bieden voor de fruitteeltconcentraties als kenmerk van de overgang naar het rivierenlandschap, bodemdaling afremmen, een robuust watersysteem realiseren en de Groene Ruggengraat aanleggen.
  • In de Merwedezone, gelegen op de grens van het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad, de Betuweroute en de A15, vindt komende jaren herstructurering en transformatie plaats. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen de gemeenten en de provincie, die zijn vastgelegd in de Transformatievisie Merwedezone. De provincie wil in dit gebied stedelijke ontwikkelingen begeleiden en daarbij een goede overgang tussen stad en land realiseren. Het gezamenlijke toekomstbeeld voor de Merwedezone omvat een waterrijk groengebied ten noorden van de Betuweroute (op kaart aangegeven als zoeklocatie regiopark), herstructureren van bedrijventerreinen en intensiveren van bebouwing bij de bestaande en nieuwe haltes van de Merwede-Lingelijn. Er zijn ook gebieden (het Oog en Papland) benoemd waar mogelijk na 2015 verstedelijking kan plaatsvinden, als daar tegen die tijd behoefte aan is en er geen ruimte meer is binnen de kernen. Deze zijn als transformatiegebieden op de kaart aangegeven. Dit vergt wel nadere onderbouwing en afstemming op regionaal niveau. 
  • Verder is afgesproken dat er in het gebied 40 MW duurzame energie wordt opgewekt, te realiseren in de vorm van windenergie of andere vormen van duurzame energie en passend binnen de plaatsingsvisie windenergie (zie 4.6.3). 
  • Bescherming molencomplex Kinderdijk, met daarbij aandacht voor de bereikbaarheid van het molencomplex.


Oude Rijnzone

De Oude Rijnzone behoort tot het rivierenlandschap en bestaat uit een oost-west georiënteerde verdichte zone langs de Oude Rijn, de N11 en het spoor, met daaromheen de grote open agrarische landschappen van het Groene Hart. Het noordelijk en zuidelijk deel van het Groene Hart en de provinciale landschappen worden verbonden door de Oude Rijnzone. In Groene Hartplannen is de Oude Rijnzone als transformatiezone21 opgenomen. De Oude Rijn is de voormalige grens van het Romeinse Rijk (de Limes) en is dan ook onderdeel van het Topgebied cultureel erfgoed vanwege de vele archeologische vindplaatsen. Kenmerkend is het verschil tussen de dynamische zone tussen N11 en Oude Rijn (rivierenlandschap) en het relatief rustige agrarische gebied met eeuwenoude verkaveling. Bijzondere elementen in dit gebied zijn Fort Wierickeschans en daarmee samenhangend de inundatiezone van de Oude Hollandse Waterlinie, Molenviergang Aarlanderveen en Castella bij Zwammerdam.

Gebiedsopgaven
In de transformatiezone van de Oude Rijnzone gaat het om een samenhangende ontwikkeling in werken, wonen, infrastructuur, recreatieve en groenblauwe structuur. Dit alles gericht op duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de Oude Rijnzone als onderdeel van het Groene Hart. Voor de transformatiezone gelden de opgaven:

  • economische vitaliteit versterken en kwalitatief hoogwaardige woon- en werkmilieus ontwikkelen;
  • groenblauwe kwaliteit versterken (natuur, water, landschap, recreatie, cultuurhistorie). Dit gaat om visuele en functionele verbindingen van de Oude Rijnzone met het omliggende Groene Hart, zowel langs de Oude Rijn als in noord-zuidrelaties;
  • investeren in infrastructuur en in de benutting ervan;
  • het Groene Hartproject Venster Bodegraven-Woerden uitvoeren. In dit project hoort ook de landschappelijke overgang tussen het venster en de uitbreidingslocatie Bodegraven Oost. Binnen de contour van de bestemmingsplannen Broekvelden II en Grote Wetering II is 50 procent netto ruimte gereserveerd om een natuurlijke overgang te maken.

21 Benaming ‘transformatiezone’is uit het Groene Hart, het is geen transformatiegebied als beschreven in paragraaf 4.2



4.8.1.4 Zuid-Hollandse delta

In de Zuid-Hollandse delta is het behoud en ontwikkeling van de onderscheiden waardevolle landschappen gekoppeld aan verschillende opgaven. Deze worden per gebied benoemd. Per (deel)gebied worden de kwaliteiten toegelicht en wordt de samenhang met deze gebiedsopgaven uitgewerkt.

De Zuid-Hollandse delta met haar specifieke landschap en hoge natuurkwaliteit in combinatie met rust en ruimte is een bijzonder waardevol landelijk gebied binnen Zuid-Holland. De Zuid-Hollandse delta wordt gevormd door de monding van de grote rivieren en de Zuid-Hollandse eilanden. De ruimtelijke structuur van het gebied wordt vooral bepaald door de deltawateren en de benedenrivieren. Deze wateren zijn van (inter)nationale betekenis voor de functies natuur, recreatie, toerisme, visserij en scheepvaart. Ze behoren samen met de aangrenzende buitendijkse gebieden, slikken en platen vrijwel geheel tot het Natura2000-netwerk en de Ecologische Hoofdstructuur. Een belangrijke opgave in de delta is het herstellen van een natuurlijk ecologisch systeem, het herstellen van de estuariene dynamiek en versterking van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.



Voorne-Putten

Voorne-Putten is een eiland met zowel een stedelijk als een landelijk karakter. Voorne-Putten maakt deel uit van de Zuidvleugel en daarmee van het stedelijk netwerk. Het eiland vormt een combinatie van het zeekleipolderlandschap, veenpolderlandschap, duinlandschap en buitendijks natuurlandschap. Hoewel het gebied een eenheid vormt, is de diversiteit van het eiland kenmerkender dan de samenhang. De grote variatie in landschap en mate van verstedelijking maken de samenhang minder herkenbaar.
Verrommeling van het eiland en nivellering van de landschappen liggen op de loer. Een grote opgave is dan ook een helder perspectief te scheppen, met een eigen identiteit voor Voorne-Putten. Dit perspectief ligt in een samenhangend, divers, kwalitatief hoogwaardig recreatieaanbod in combinatie met de toeristische kwaliteiten van de historische kernen en de badplaatsen in het natuurgebied van Voornes Duin. Opruimen van verrommeling zoals oude glasopstanden en mogelijkheden zoeken voor landelijk wonen zijn ontwikkelingen die hierbij passen. Uitgangspunten voor planvorming zijn:

Gebiedsopgaven

  • bescherming van Voornes Duin en het landelijk karakter van Voorne-Putten;
  • door verdere uitbouw van een fijnmazig groenblauw netwerk de bereikbaarheid vanuit de omgeving verbeteren;
  • aanpak verrommeling en verspreid gelegen kassen uit de binnenduinrand tussen Oostvoorne en Rockanje.


Hollandse Biesbosch

De Hollandse Biesbosch vormt de overgang van het stedelijk gebied van de Drechtsteden naar het landelijk gebied van Noord-Brabant. Het gebied vormt een combinatie van buitendijks natuurlandschap, rivierenlandschap en zeekleipolderlandschap. Een groot deel vormt samen met de Brabantse Biesbosch het Nationaal Park de Biesbosch, een van de grootste zoetwatergetijdengebieden van Europa. Kenmerkend is de scherpe grens met het stedelijk gebied. De diversiteit van landschappen gevormd door agrarische, bos- en recreatiegebieden en een gevarieerd en dynamisch natuurlandschap in de nabijheid van de stad vormen een belangrijke kwaliteit.

Gebiedsopgaven

  • bescherming en natuurontwikkeling in het Nationaal Park de Biesbosch; 
  • afwisseling tussen binnen- en buitendijks gebied in stand houden en versterken;
  • versterken relatie stad-land door:
    • ontwikkelen van nieuw recreatie- en natuurlandschap in het binnendijks gebied via het project de Nieuwe Dordtse Biesbosch;
    • de landbouw duurzaam verbreden en het ontginningspatroon van Polder de Biesbosch daarbij in stand houden;
    • ontwikkelen van de stortplaats 3e Merwedehaven tot een gebied met als hoofdfunctie recreatie, na beëindiging van de stort. Tijdens de planperiode blijft het gebied in gebruik als stortplaats. Op de functiekaart is de recreatieve eindbestemming weergegeven, met een symbool voor het gebruik als stortpaats.


Hoeksche Waard

De Hoeksche Waard is een nationaal landschap op de overgang van de Randstad naar de Zuidwestelijke delta. Het eiland bestaat uit zeekleipolderlandschap, veenpolderlandschap en buitendijks natuurlandschap en heeft een open, overwegend agrarisch karakter. De ligging van de Hoeksche Waard in de delta en nabij de Randstad heeft in het gebied zelf tot verschillen in karakter en dynamiek geleid. In het zuiden en westen staan rust, ruimte en ervaring van de delta centraal, terwijl het noorden en oosten meer onder invloed van het stedelijk gebied staat.

Gebiedsopgaven
De aanwijzing tot nationaal landschap betekent dat behoud en herstel van de kernkwaliteiten van dit landschap belangrijke beleidspgaven zijn. Centraal staat behoud van het open agrarisch landschap, gericht op een duurzame ontwikkeling van de landbouw, met versterking van de gebiedsspecieke landschapskenmerken zoals de kreken, de dijken en het patroon van verspreide dorpen.
Het eiland heeft een aantal opgaven, die de kernkwaliteiten kunnen beïnvloeden. Wat betreft de woningbouwontwikkelingen en bedrjventerreinprogrammering zijn afspraken over de regionale verdeling gemaakt. Uitbreidingen van kleine kernen zijn in beginsel niet uitgesloten, maar worden in de meest kwetsbare delen van het nationaal landschap terughoudend benaderd. Andere opgaven zijn de eventuele realisering van het TNO- complex in de Hogezandse Polder en aanleg van 60 hectare bedrijventerrein voor regionale bedrijvigheid. Als alternatief voor het voormalige transformatiegebied bovenregionaal bedrijventerrein (streekplan Hoeksche Waard 2007) is een principeovereenkomst gesloten voor de ontwikkeling van Dordtsche Kil IV en Nieuw Reijerwaard. Ook het Rijk steunt deze ontwikkeling en heeft financiële middelen toegezegd. De provincie gaat inzetten op de realisatie van de bestemmingswijziging van beide terreinen en zal hiervoor indien noodzakelijk de haar beschikbare instrumenten inzetten. Deze locaties bieden ruimte voor bovenregionale bedrijvigheid voor de komende jaren. Met het bestemmen van zowel Dordtsche Kil IV als Nieuw Reijerwaard tot bedrijventerrein vervalt de zoeklocatie bedrijventerrein in de Hoeksche Waard.
De Hoeksche Waard heeft diverse recreatieve potenties. De ligging in de delta betekent een opgave voor de versterking van de toeristische kwaliteiten en mogelijkheden voor extensieve en verblijfsrecreatie in het zuiden van de Hoeksche Waard, met name bij Numansdorp. In de Hoeksche Waard-Noord ligt een opgave om de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten te versterken. Hiervoor is een zoeklocatie regiopark op de functiekaart opgenomen. Op de langere termijn zijn de aanleg van de A4-zuid en mogelijk een RoBelspoorverbinding aan de orde. Voor het tracé van de A4 is een reservering opgenomen. Een tracé of reservering voor de RoBelspoorlijn is in de planperiode nog niet aan de orde.



Goeree-Overflakkee

Goeree-Overflakkee is het meest zuidelijke eiland van Zuid-Holland en grenst aan de Zeeuwse eilanden. Rust, ruimte en de omlijsting door de grote deltawateren zijn belangrijke kwaliteiten van dit gebied. Het eiland zelf is te verdelen in de twee voormalige eilanden Overflakkee en Goeree met elk zeer specifieke landschapskenmerken. Overflakkee heeft een open, agrarisch karakter, behoort tot het zeekleipolderlandschap en is omringd met buitendijks natuurlandschap. Goeree bestaat vooral uit duinlandschap en schurvelingenlandschap met hoge recreatieve, ecologische en cultuurhistorische waarde en toeristische voorzieningen.

Gebiedsopgaven
Goeree-Overflakkee werkt samen met de provincie en andere partijen aan een lange termijnprofiel in de context van de Zuidwestelijke delta, waarin duurzaamheid, klimaatbestendigheid en leefbaarheid een grote rol spelen. Concrete vraagstukken betreffen de waterveiligheid en de toekomstige zoetwatervoorziening. Daarnaast staat de sociaal-economische vitaliteit en de leefbaarheid in de kernen onder druk door o.a. een tendens tot bevolkingskrimp. Een integrale en gezamenlijke aanpak van deze vraagstukken is nodig om een vitale en duurzame toekomst voor Goeree-Overflakkee veilig te stellen. Dit is mede van belang gezien de ligging en positie van Goeree-Overflakkee nabij Zeeland, waar vergelijkbare opgaven aan de orde zijn. De basis voor een duurzame en vitale ontwikkeling wordt gevormd door de landschappelijke kernkwaliteiten, de cultuurhistorie en de onderscheidende kwaliteiten van de bestaande bebouwing en dorpen in relatie met het water.
De (transformatie)opgaven zijn: 

  • Herstellen van de getijdenwerking in de deltawateren rond het eiland is in voorbereiding (Kierbesluit Haringvliet en het Zoetwateradvies (2009) gericht op het mogelijk weer zout worden van het Volkerak-Zoommeer). Deze opgave kan gevolgen hebben voor het ruimtegebruik. Randvoorwaarde is dat deze ontwikkeling samen moet gaan met behoud van een duurzame zoetwatervoorziening voor de zoetwaterafhankelijke functies. Met de aanleg van het zoetwaterkanaal en een verbetering van het regionale waterbeheer (gescheiden aan- en afvoersysteem) wordt het huidig niveau van zoetwatervoorziening in elk geval tot 2015 gegarandeerd. Voor de periode daarna streeft de provincie naar behoud van dit niveau, teneinde de risico’s van interne verzilting zoveel mogelijk tegen te gaan. Hier wordt nader onderzoek naar verricht. 
  • Realiseren van ontbrekende delen van de Ecologische Hoofdstructuur. In dit kader zal nog een afweging moeten worden gemaakt over natuurontwikkeling in het oostelijke deel van de Polder Zuiderdiep dan wel in de Polder Roxenisse. Beide polders hebben daarvoor op de functiekaart over de agrarische aanduiding een arcering "zoekgebied natuur" gekregen.
  • Herstel van de getijdenwerking zal behalve een verbetering van de waterkwaliteit en het ecosysteem in de deltawateren ook positieve gevolgen voor het eiland hebben. Het betekent vooral in de buitendijkse gebieden een impuls voor de natuurontwikkeling en zal een positief effect op de recreatieontwikkeling hebben, door betere omstandigheden voor de watersport. 
  • Innovatie in de landbouw gericht op een duurzame toekomst van de agrarische sector en versterking van de landschappelijke kwaliteiten. 
  • Uitbreiden en versterken van het aanbod op het gebied van recreatie en toerisme. Dit is een mogelijkheid om de economische vitaliteit op het eiland in stand te houden en toekomstbestendig uit te bouwen.
  • Versterken van de leefbaarheid en de economische vitaliteit door herstructurering, transformatie en ontwikkeling van woon- en werkmilieus, passend binnen de kernkwaliteiten van het landschap en mede gericht op versterking daarvan. Een integrale benadering van dorpsontwikkeling, recreatieve ontwikkeling en versterking van de karakteristieke landschapselementen (zoals havenkanalen, kreken en dijken) biedt hier perspectief .
  • Werken aan een toekomstperspectief voor duurzame energievoorziening (wind- en getijdeenergie). 
  • Onderzoeken (in de planperiode) van de vestigingsmogelijkheden voor een windmolenpark en voor een glastuinbouwlocatie op Oostflakkee.


4.8.1.5 Kust

In de kustzone is het behoud en ontwikkeling van de onderscheiden waardevolle landschappen gekoppeld aan verschillende opgaven. Deze worden per gebied benoemd. Per (deel)gebied worden de kwaliteiten toegelicht en wordt de samenhang met deze gebiedsopgaven uitgewerkt.

De kust en de zee vormen een oorspronkelijk, niet geheel door de mens gevormd, natuurlijk landschap dat Nederland rijk is. Het is van grote landschappelijke en ecologische waarde voor Zuid-Holland. De opbouw van de kustzone met strand, duinen, strandwallen en strandvlakten en het verschillend gebruik hiervan heeft geresulteerd in een gevarieerd en aantrekkelijk landschap. Achter het strand en de duinen liggen diverse landschappen en (bad)plaatsen die profiteren van de ligging aan de kust. Natuur, toerisme en recreatie zijn de belangrijkste functies binnen de kustzone, naast de hoofdfunctie van zeewering. De inzet van de provincie is gericht op integratie, veiligstelling en ontwikkeling van deze functies, in samenhang met de functies in het achterland. Daarnaast verkent de provincie, in navolging van de suggesties van de Deltacommissie, samen met de rijkspartners de haalbaarheid van uitbouw van de kust. Hierbij wordt uitwerking gegeven aan het belang van de kust voor de kwaliteit van de Randstad als woonwerkomgeving en wordt meer ruimte dan nu geboden aan natuur- en recreatiefuncties.



Recreatie en toerisme

De kust biedt grote kansen voor verdere ontwikkeling van recreatie en toerisme. De uiteenlopende kwaliteiten (van hoogstedelijk tot natuurlijk) vragen om een gedifferentieerde benadering. De toeristische centra (Scheveningen, Noordwijk, Katwijk, Hoek van Holland en de Brouwersdam) hebben potenties voor toeristische ontwikkeling, gericht op de internationale markt. In deze centra is de ontwikkeling van zeejachthavens mogelijk, onder voorwaarde van onderlinge afstemming en goede ruimtelijke inpassing, rekening houdend met landschap en natuur. De overige badplaatsen hebben een meer regionale functie.



Duin- en Bollenstreek

De Duin- en Bollenstreek is onderdeel van de kustzone en vormt binnen de Randstad de overgang van de Zuid- naar de Noordvleugel en staat sterk onder stedelijke invloed. Belangrijk element daarin is de greenport Bollenstreek als de belangrijkste economische (en ook toeristische) drager. De Duin- en Bollenstreek bestaat uit twee gescheiden, landschappelijk samenhangende delen: het grootschalige duinlandschap en het bollen-zanderijenlandschap. De kwaliteit en herkenbaarheid van het landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die de openheid en aantrekkelijkheid van het landschap aantasten.

Gebiedsopgaven

  • Vooral voor de greenportfunctie zijn er in de planperiode in de Bollenstreek de nodige ontwikkelingen aan de orde.
  • De Bollenstreek zal een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave van de Noordvleugel conform de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek. De Stedenbaangedachte, het Offensief van Teylingen zijn naast de visie op verstedelijking belangrijke uitgangspunten. 
  • De realisering van de Rijnlandroute, de RijnGouwelijn en het Stedenbaanstation Sassenheim zullen de bereikbaarheid van de zuidelijke Bollenstreek verbeteren. Naar aanleiding van de bereikbaarheidsstudie grensstreek Noord-Holland/Zuid-Holland worden twee nieuwe oost-westverbindingen op haalbaarheid onderzocht. Dit zijn een noordelijke ontsluiting greenport ten noorden van Hillegom tussen de N205 en de N206/N208 en een noordelijke randweg Rijnsburg die ook een directe aansluiting kan zijn van de veiling Flora Holland op de A44.
  • De Keukenhof, als icoon van de bollenteelt, zal ingrijpend worden verbouwd en gerenoveerd, om de cultuurhistorische en toeristisch recreatieve waarde en de landschaps- en natuurwaarde van de bloemententoonstelling, het landgoed en kasteel de Keukenhof te kunnen behouden voor de toekomst. 
  • Parallel aan de ontwikkeling van de greenport is er een opgave tot algehele verbetering van de landschappelijke kwaliteiten van het gebied.


Delflandse kust

In de kustzone tussen Hoek van Holland en Kijkduin, de Delflandse Kust, komt een aantal opgaven samen. Hierbij zijn niet enkel de zeewaartse ontwikkelingen van belang maar wordt ook de relatie met het achterland uitgewerkt. Het gaat er dan om de volgende zaken te realiseren:

Gebiedsopgaven

  • een veilige, natuurrijke kustzone;
  • een goed bereikbare kust met meer ruimte voor recreatie;
  • een kust van hoogwaardige kwaliteit, die bijdraagt aan een aantrekkelijk (inter)nationaal vestigingsmilieu.

Op de hierna volgende figuur van de Delflandse kust zijn de belangrijkste opgaven verbeeld.


Figuur 4.8.1.5 Opgaven Delflandse Kust

Allereerst wordt gewerkt aan een breder en robuuster duinlandschap met meer ruimte voor natuur met recreatief medegebruik. Door een groenblauw systeem van routes en gebieden te realiseren in het directe achterland van de Delflandse kust, worden de mogelijkheden groter voor omwonenden om te genieten van de omgeving. De beperkte toegankelijkheid van de Delflandse Kust vanuit het achterland vraagt om een regionale aanpak van de bereikbaarheid. De provincie wil graag dat de huidige badplaatsen elkaar versterken en aanvullen. Bij een woningbouwopgave in de kernen aan de kust gaat het erom de kwaliteit en daarmee het woon- en werkklimaat van de Zuidvleugel Randstad te versterken en niet primair om een kwantitatieve opgave.

Binnen de planperiode worden de mogelijkheden tot kustversterking door de pilot zandmotor en de aanzet voor verdere ontwikkeling van de Delflandse Kust verkend. Deze innovatieve pilot houdt in dat er een grote hoeveelheid extra zand voor de kust in zee wordt gebracht. Door de stroming van water en wind wordt het zand verspreid langs de kust en draagt hiermee bij aan een meer natuurlijke vorm van kustbeheer. Ook zorgt de zandmotor voor een zeewaartse uitbreiding met enkele tientallen meters van de kustzone tussen Hoek van Holland en Kijkduin. Dat vergroot niet alleen de veiligheid, maar geeft ook nieuwe ruimte voor natuur en recreatie.



4.8.2 Behouden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur

De provincie bezit een groot aantal cultuurhistorische en archeologische waarden, die beschreven zijn in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur22. Bij het provinciaal belang 'behoud van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur' horen de ambities:

  • topgebieden cultureel erfgoed beschermen;
  • kroonjuwelen cultureel erfgoed beschermen;
  • archeologische waarden beschermen;
  • molenbiotopen beschermen;
  • landgoedbiotopen beschermen.

Cultuurhistorie is een van de dragers van ruimtelijke kwaliteit. De opgave voor het ruimtelijk beleid is om vanuit een integraal perspectief:

  • te bevorderen dat cultuurhistorisch waardevolle structuren, complexen, ensembles en elementen behouden blijven;
  • te bevorderen dat de cultuurhistorie kan worden beleefd en bijdraagt aan de recreatief-toeristische kwaliteit van het landelijk gebied.

Binnen de provincie ligt hierbij het accent op die gebieden en structuren waar cultuurhistorische waarden in hoge mate voorkomen. Dit betreft de zogeheten topgebieden en kroonjuwelen cultureel erfgoed. Beide zijn weergegeven op de kwaliteitskaart.
Deels binnen, maar gedeeltelijk ook buiten de topgebieden bevinden zich waarden of structuren die specifieke bescherming behoeven. Dit betreft archeologische waarden, landgoederen, molenbiotopen en de waterlinies. De molenbiotopen zijn aangegeven op kaart 11 van de Verordening, de landgoederen op kaart 12.


Kaart 4.8.2 Cultuurhistorische Hoofdstructuur

22 De Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft op kaart een overzicht (op hoofdlijnen) van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland, vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De CHS-kaart is te raadplegen via: www.zuid-holland.nl/chs



Topgebieden cultureel erfgoed

In de provincie zijn 16 gebieden benoemd als topgebied cultureel erfgoed. Het gaat om gebieden of structuren met een gave cultuurhistorische samenhang, met betrekking tot archeologie, landschapshistorie en nederzettingen. Dit betreft bijvoorbeeld gebiedsspecifieke ontginningspatronen, bebouwingslinten en afzonderlijke bouwwerken als molens en historische boerderijen. De bescherming in topgebieden richt zich op de continuïteit van het karakter, door behoud en versterking van de structuur. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, binnen randvoorwaarden vanuit cultuurhistorie. Voor de topgebieden zijn regioprofielen cultuurhistorie opgesteld, die concreet de cultuurhistorische waarden beschrijven en kwalitatieve richtlijnen bevatten voor ruimtelijke ontwikkeling en de omgang met deze waarden.



Kroonjuwelen cultureel erfgoed

Binnen de topgebieden is een beperkt aantal gebieden of elementen benoemd met een zeer gave, kwetsbare cultuurhistorische samenhang, die door hun unieke karakter bepalend zijn voor de identiteit van een plek. Voor deze kroonjuwelen is de bescherming gericht op behoud van de uitzonderlijke kwaliteit. Vanwege het unieke karakter kunnen de kroonjuwelen ook een toeristische waarde hebben. Ruimtelijke ontwikkelingen die strijdig zijn met het cultuurhistorisch belang zijn in principe niet mogelijk. Het betreft de volgende gebieden:

  • Landgoed Keukenhof 
  • Aarlanderveen en molenviergang 
  • Oude Hollandse Waterlinie; Wierickeschans en Weteringen 
  • Middengebied Krimpenerwaard; niet ruilverkaveld veenweidegebied
  • Panorama Kinderdijk 
  • Nieuwe Hollandse Waterlinie: Diefdijk 
  • Schurvelingengebied 
  • Polder de Biesbosch 
  • Kagerplassen en omgeving
  • Landgoederenzone Wassenaar / Voorschoten / Leidschendam
  • Weipoort
  • Meije
  • Kerngebied Midden-Delfland


Archeologie

Een groot deel van de cultuurhistorische waarden bevindt zich in de bodem en onttrekt zich aan het oog. Archeologische waarden kunnen zowel binnen als buiten bebouwingscontouren worden aangetroffen. Bij elke in deze structuurvisie beschreven hoofdopgave kan het archeologisch erfgoed in het geding zijn. De bekende en potentiële archeologische vindplaatsen zijn benoemd in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur en dienen beschermd te worden. Uitgangspunt van Europees, landelijk en provinciaal beleid is behoud in situ van archeologische waarden; dat wil zeggen dat het archeologisch erfgoed in principe niet verstoord dient te worden.



Landgoederenzone

Landgoederen vormen een belangrijk onderdeel van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Veel van deze landgoederen liggen op de oude strandwallen achter de duinen, zoals de landgoederenzone bij Wassenaar. Landgoederen dragen bij aan de landschappelijke en recreatieve kwaliteit van hun omgeving. Een vrije ligging en zichtassen zijn daarbij belangrijk. Voor bescherming van de relatie tussen het landgoed en de omgeving van het landgoed ontwikkelt Zuid-Holland in samenwerking met andere partijen de landgoedbiotoop. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de kwaliteiten van deze landgoedbiotopen. Gelet op het feit dat de bebouwing (volume, dichtheid en bouwhoogte) invloed hebben op de beleving, vragen wij aan de gemeente hiermee rekening te houden. De landgoedbiotopen zijn aangegeven op kaart 12 van de Verordening. Voor de landgoederen zonder biotoop geldt dit ook, alleen al op grond van het gegeven dat landgoederen vrijwel altijd buiten de bebouwingscontour zijn gelegen. Ontwikkelingen buiten de contour hebben altijd rekening te houden met kwaliteitsaspecten van de omgeving. Een soorgelijke bescherming geldt ook voor landgoederenzones. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de betreffende zone zal de provincie Zuid-Holland niet toestaan. De provincie zal hier –zo nodig met gebruikmaking van de haar daartoe ten dienste staande ruimtelijke instrumenten– op toezien.



Waterlinie en Limes

In het Nationaal Landschap Groene Hart ligt een belangrijk deel van de Oude Hollandse Waterlinie, een verdedigingssysteem uit de 17e en 18 e eeuw, waarmee het lage land bij vijandelijke dreiging onder water gezet kon worden. Van deze waterlinie zijn nog restanten waarneembaar in de vorm van versterkingen, civieltechnische werken en inundatievelden. Ook resten van andere verdedigingslinies, zoals de Atlantikwall, zijn van cultuurhistorische waarde en zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De Limes, de oude grens van het Romeinse Rijk, houdt zich verborgen in het landschap. Deze hele zone langs de Oude Rijn is rijk aan archeologische vindplaatsen en is beschreven in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur.



4.8.3 Verbeteren belevingswaarde en verminderen verrommeling

Bij 'verbetering belevingswaarde en vermindering verrommeling' horen de ambities: 

  • openheid behouden;
  • (snel)wegpanorama's en openbaar vervoerpanorama’s behouden;
  • verrommeling actief opruimen en tegengaan, rekening houdend met kernkwaliteiten van landschap, natuur en cultuurhistorie (bijvoorbeeld saneren verspreid glas);
  • stiltegebieden beschermen.


Diversiteit

De diversiteit van landschappen in Zuid-Holland, waaronder kust, veen- en deltalandschap is uniek. Binnen deze landschappen is ook weer sprake van diversiteit. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de contrasten tussen droog-nat, hoog-laag, bebouwd-onbebouwd, open-dicht, rust-drukte, groot-klein, en natuur-cultuur. Kleinschalige elementen zoals sloten, boezemwateren, dijken en molens (Nederland-waterland) zorgen eveneens voor diversiteit. Maar ook grootschalige structuren, zoals verdedigingslinies, bebouwingslinten en droogmakerijen dragen hieraan bij. En natuurlijk dragen ook de steden en dorpen er aan bij. Diversiteit speelt dus op verschillende schaalniveaus en kent vele vormen. Landschappelijke diversiteit is een belangrijke belevingswaarde, die mede bepaald wordt door de andere kernkwaliteiten. De verschillende landschappen, met zichtbare contrasten, spreken tot de verbeelding. Bovendien biedt diversiteit de keuze om te recreëren in een rustige of juist een dynamische omgeving.



Openheid

Openheid betekent vooral ’zicht op de horizon’. Hoe open een gebied is of wordt ervaren hangt niet alleen samen met maat en schaal, maar ook met de randen van het gebied. Hoge gebouwen, windmolens, maar ook boselementen kunnen het gevoel van openheid snel aantasten. Openheid is een kwetsbare kernkwaliteit. Openheid is bovendien een schaars goed in het volle Zuid-Holland. Het handhaven van de openheid in grote delen van het Groene Hart en de delta betekent tevens het respecteren van de cultuurhistorische waarde van die gebieden.



Panorama's

In Zuid-Holland wordt in het landelijk gebied rekening gehouden met landschappelijk beleid tot behoud van doorzichten zoals dat door het Rijk geformuleerd is voor snelwegpanorama's23 langs de A4: Land van Wijk en Wouden, de A12: Venster Bodegraven-Woerden en A29: Hoeksche Waard. Dit beleid heeft de provincie omarmd en ook toegepast op een aantal bijzondere doorzichten langs het spoor, de openbaar vervoerpanorama’s24. Deze zijn te vinden langs het spoor door Midden-Delfland, door Duin, Horst en Weide, bij Dordrecht Zuid–Moerdijk, tussen Arkel en Leerdam, door de Bollenstreek, langs de lijn Gouda-Woerden, door de Tweemanspolder, Sassenheim-Kaag en Wijk en Wouden. Ontwikkelingen in deze zones (zie de kwaliteitskaart) zijn alleen mogelijk als zij geen afbreuk doen aan de kwaliteit van openheid en de zichtlijnen vanuit de infrastructuur, naast de kernkwaliteiten en cultuurhistorie in die zones. Panorama's komen in aanmerking als prioriteitsgebied voor het opruimen van verrommeling, zoals verspreid glas.

23 Rijksstructuurvisie voor de Snelwegomgeving: Zicht op Mooi Nederland, oktober 2008
24 Nadere uitwerking vanuit kaders uit de Nota Provinciaal Belang, vastgesteld door Provinciale Staten november 2008



Rust en stilte

De kernkwaliteit ‘rust en stilte’ is een belangrijke waarde. Rust en stilte vormen voor mensen een belangrijke tegenhanger van het dynamische leven in de stad. Rust en stilte in het landelijk gebied worden hoog gewaardeerd en zijn van groot belang voor een goed en gezond woon- en vestigingsklimaat. Deze kwaliteiten dragen bij aan de waarde van het gebied voor de recreant en de natuur. De stiltegebieden liggen in het landelijk gebied en hebben een lage geluidbelasting. Beschermen van rust en stilte verloopt via twee sporen: een ruimtelijk spoor: gebieden beschermen en een milieuspoor: lawaaiige activiteiten weren die de stilte verstoren. Zij zijn exact begrensd in de Provinciale Milieuverordening (zie ook kaart 10 van de verordening).



4.8.4 Realiseren van een complete Ecologische Hoofdstructuur

Bij het provinciaal belang 'realiseren van een complete Ecologische Hoofdstructuur’ horen de ambities:

  • Voortvarend, compleet en klimaatbestendig ontwikkelen en beschermen van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) met inbegrip van het Europese netwerk van natuurgebieden (Natura2000). 
  • Realiseren van nieuwe natuur om de kerngebieden in de Ecologische Hoofdstructuur te vergroten, de samenhang daartussen te versterken en de natuurkwaliteit daarvan te verbeteren, bijvoorbeeld door de Groene Ruggengraat en Deltanatuur. 
  • De water- en milieukwaliteit in natuurgebieden verbeteren. 
  • Natuurwaarden buiten de Ecologische Hoofdstructuur veilig stellen, zoals de belangrijke gebieden voor weidevogels en overwinterende ganzen met voortzetting van het huidige agrarisch grondgebruik.
  • Ecologische Hoofdstructuur waar mogelijk beter benutten voor recreatie.

De Ecologische Hoofdstructuur bestaat uit de bestaande bos- en natuurgebieden, landgoederen, nieuwe natuurgebieden, robuuste ecologische verbindingen, de grote wateren en de Noordzee. De Ecologische Hoofdstructuur op het land is als natuurgebied op de functiekaart (globaal) weergegeven. De exacte begrenzing is aangegeven op kaart 3 van de Verordening. De Natura2000-gebieden behoren tot de Ecologische Hoofdstuctuur. Een beperkt deel van de Natura2000-gebieden bestaat uit blijvend agrarisch gebied zonder verwervingstaakstelling, bijvoorbeeld de akkers en graslanden in het Oude Land van Strijen. Voortzetting van het huidige agrarische grondgebruik blijft daar mogelijk en wordt beschouwd als een onderdeel van de wezenlijke kenmerken en waarden.
De duinen, de Groene Ruggengraat met daarin de bestaande natuurkernen en de Zuid-Hollandse Deltawateren vormen de grote dragers van de Ecologische Hoofdstructuur.


Kaart 4.8.4 Ecologische Hoofdstructuur en belangrijke weidevogelgebieden

De Ecologische Hoofdstructuur is beschermd door een 'nee-tenzij-beleid’. In deze gebieden zijn geen ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Naast bescherming van de bestaande Ecologische Hoofdstructuur, worden in de planperiode ook de nodige maatregelen genomen om de water- en milieukwaliteit te verbeteren en wordt het ontbrekende deel van de nieuwe Ecologische Hoofdstructuur gerealiseerd.



Groene Ruggengraat

Belangrijkste element voor natuurontwikkeling in het Groene Hart is de Groene Ruggengraat, het Randstad Urgent- en Groene Hart icoonproject. Het gaat om een op natte natuur gerichte inrichting die in andere gebiedsfuncties zoals waterhuishouding, landbouw, recreatie en landschap wordt ontwikkeld. Met de aanleg van de Groene Ruggengraat wordt een robuuste ecologische verbinding van nationaal belang gerealiseerd van de Zeeuwse delta tot het Lauwersmeergebied. De Groene Ruggengraat heeft meer dan alleen een ecologische functie. Zij draagt ook bij aan versterking van de landschappelijke diversiteit en cultuurhistorische identiteit, duurzaam waterbeheer en mogelijkheden voor recreatief gebruik. De precieze invulling van de Groene Ruggengraat is afhankelijk van de natuurdoelstellingen, de mogelijkheden van duurzaam waterbeheer (waterkwantiteit en –kwaliteit) en de kernkwaliteiten van het gebied waar de Groene Ruggengraat doorheen loopt. De aanduiding op de functiekaart is dan ook indicatief. In de Krimpernerwaard is zij begrensd in het gebiedsproces Veenweidepact. Voor Gouwe-Wiericke en Alblasserwaard moet dit nog in gebiedsprocessen gebeuren. Rust en stilte zijn een belangrijk goed in de Groene Ruggengraat. De realisering van de Groene Ruggengraat moet voor 2018 zijn afgerond en daarmee een belangrijke impuls geven aan de natuurfunctie (Ecologische Hoofdstructuur) en bodemdaling in de natte veenweidegebieden tegengaan.



Weidevogelgebieden en overige natuurwaarden

Ook buiten de bovengenoemde natuur(gebieden) zijn er veel natuurwaarden in het landelijk gebied. Vaak zijn die kleinschaliger of hangen ze samen met een andere functie in het gebied, zoals weidevogels in het weidelandschap. De grondgebonden veehouderij speelt hierbij een belangrijke rol. Ook deze waarden zijn belangrijk en moeten door gemeenten beschermd worden. De belangrijke gebieden met weidevogels in het landelijk gebied zijn op de functiekaart en kaart 4.8.4 opgenomen.



4.9 Stad en land verbonden


Kaart 4.9 Stad en land verbonden

De groene ruimte in en om de stad wordt hoog gewaardeerd. Met een verstedelijkingsopgave die vooral gericht is op intensivering en herstructurering, wordt de kwaliteit van de groene ruimte steeds belangrijker. Niet alleen vanuit het oogpunt van de leefbaarheid voor bewoners, maar ook vanwege een aantrekkelijk en onderscheidend vestigingsklimaat.
In Zuid-Holland is vooral in de omgeving van het stedelijk gebied sprake van grote recreatietekorten, is de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het landschap onvoldoende en schiet de kwaliteit van het landschap tekort door versnippering en verrommeling.
Er ligt een grote opgave om de samenhang tussen stad en land en de kwaliteit van de groene ruimte nabij de stad over de volle breedte aanzienlijk en duurzaam te versterken. Alleen bescherming en het toevoegen van hectares recreatiegebied is daarvoor niet toereikend. Het gaat om een nieuwe balans tussen bescherming en ontwikkeling voor alle groene ruimten in en nabij het stedelijk gebied. Naast de gesignaleerde tekortkomingen is ook de potentie aanwezig: de groene ruimte is in het stedelijk netwerk van Zuid-Holland nooit ver weg en ook nabij de stad kent de provincie een unieke variatie aan bijzondere landschappen en groengebieden.



Rood- voor groen in rijksbufferzones

Voor rood voor groen constructies in de rijksbufferzones stelt de AMvB Ruimte dat er specifieke gebieden moeten worden aangewezen in de provinciale structuurvisie. Deze regelingen uit de Verordening (nieuwe landgoederen en rood voor groen) dragen, gelet op de gestelde randvoorwaarden, altijd bij aan de recreatieve en kwalitatieve waarden van de afzonderlijke rijksbufferzones. Derhalve zijn deze regelingen in alle in Zuid-Holland gelegen rijksbufferzones toepasbaar. Zie voor een toelichting hierop bijlage 6.5 (rood voor groen in relatie tot het rijksbufferzonebeleid uit de AMvB Ruimte) en kaart 4 in de verordening.



4.9.1 Versterken recreatieve functie en groenstructuur

Bij het provinciaal belang 'Versterken recreatieve functie en groenstructuur' horen de volgende ambities:

  • ontwikkelen van een volledig en gevarieerd recreatieaanbod binnen en buiten de stad;
  • beschermen en ontwikkelen van de gebiedseigen kwaliteiten in de landschappen nabij de stad;
  • verbeteren van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en zichtbaarheid van het landschap nabij de stad;
  • ontwikkelen en compleet maken van een aantrekkelijk en veilig recreatief netwerk (fiets- en wandelpaden, wegen, waterwegen, recreatietransferia) dat zowel stad en land als groengebieden onderling verbindt;
  • stimuleren van duurzame, op de stedelijke vraag gerichte (verbrede) landbouw;
  • tegengaan van versnippering en verrommeling van het landschap;
  • versterken van culturele en toeristische voorzieningen;
  • wateropvang in stadsranden als onderdeel van de groenstructuur.

Samenvattend is het hoofddoel van dit provinciaal belang het verbeteren van de relatie tussen stad en land in zowel ruimtelijk, recreatief als economisch opzicht. Daartoe heeft de provincie voor de groene ruimte in en nabij de stad een nieuw concept ontwikkeld: de Zuidvleugelgroenstructuur. De groenstructuur omvat alle provinciale landschappen, regioparken en recreatieve verbindingen in de stedelijke invloedssfeer, alsmede de grotere eenheden stedelijk groen. De Zuidvleugelgroenstructuur vormt aldus een 'twee-eenheid' met het stedelijk netwerk. Het concept is te vergelijken met het concept "Green Belt of London" maar dan op de schaal van de Zuidvleugel. Buiten de groenstructuur liggen de grote landschappen waar de opgaven minder op de relatie met de stad zijn gericht.
De Zuidvleugelgroenstructuur beoogt bescherming van de bestaande groene ruimte in en nabij de stad met tegelijkertijd duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten. Dit vraagt zowel een overkoepelende aanpak als regionaal maatwerk.



4.9.1.1 Zuidvleugelgroenstructuur

De ambities voor de Zuidvleugelgroenstructuur vertonen een grote veelzijdigheid. In deze groenstructuur worden vier gebiedscategorieën onderscheiden. Iedere gebiedscategorie heeft een eigen opgave. Daarnaast is het belangrijk dat zij met elkaar een samenhangend ruimtelijk stelsel gaan vormen met een eigen verantwoordelijkheidsverdeling en tevens een grotere samenhang met het stedelijk netwerk krijgen. Het versterken van die samenhang is een cruciale opgave.

De volgende vier categorieën worden onderscheiden: (zie kaart 4.9.1):

  1. de provinciale landschappen
    Provinciale landschappen zijn regio-overschrijdende en begrensde landschappen in de stedelijke invloedssfeer en liggen tussen stedelijke agglomeraties. Ze hebben een unieke landschappelijke identiteit en en ze zijn multifunctioneel van karakter (verbrede landbouw, recreatie, natuur, water, cultuurhistorie, dorpen). De provincie is hier de trekker.
  1. de regioparken
    Regioparken zijn de grote recreatie- en natuurgebieden nabij de stad buiten de provinciale landschappen. Primair bieden ze ruimte aan openluchtrecreatie, water en natuur, soms met ruimte voor verbrede landbouw. De regio is hier de trekker.
  1. de grotere eenheden stedelijk groen
    De grotere eenheden stedelijk groen liggen binnen het stedelijk gebied en bieden ruimte voor (intensieve) openluchtrecreatie, sport en natuur. De steden zijn hier de trekkers.
  1. het verbindend groenblauw netwerk
    Het samenhangend netwerk van aantrekkelijke en veilige recreatieve routes. Het betreft de belangrijke fietspaden, wandelwegen en waterwegen die zowel stad en land als groengebieden onderling verbinden. De provincie is hier de trekker.

In de Zuidvleugelgroenstructuur gaan bescherming en ontwikkeling samen. Aldus wordt beoogd meerwaarde toe te voegen aan het rijksbeleid voor nationale landschappen en rijksbufferzones. In het beleid voor deze gebieden ligt het accent op het beschermen van landschappelijke kwaliteiten en het weren van verstedelijking. Voor de groenstructuur ligt het accent op de ontwikkelopgave, gericht op een betere verbinding van stad en land. Op deze wijze vullen rijksbeleid en provinciaal beleid elkaar aan.


Kaart 4.9.1 Zuidvleugelgroenstructuur 



Provinciale landschappen

Vooral in de provinciale landschappen komen bescherming en ontwikkeling bijeen. Dit aanvullend beleid voor de provinciale landschappen is nadrukkelijk een provinciaal belang, ongeacht hun ligging in een nationaal landschap en/of rijksbufferzone èn gegeven hun ligging in meer dan één regio. Reden dus om de betreffende zes landschappen onder één (provinciale) noemer te brengen.
Binnen de Zuidvleugelgroenstructuur zijn de volgende zes provinciale landschappen onderscheiden (voor een beschrijving van de afzonderlijke provinciale landschappen zie paragraaf 4.9.1.2):

  • Midden-Delfland
  • Land van Wijk en Wouden
  • Duin, Horst en Weide
  • Hollands Plassengebied
  • Bentwoud-Rottemeren
  • IJsselmonde

De gemeenschappelijkheid van de zes provinciale landschappen ligt in de sterke relatie met de stad. Het accent ligt op integrale bescherming en gebiedsontwikkeling. Ze worden gevrijwaard van verstedelijking. Dorpsontwikkeling in de provinciale landschappen is mogelijk binnen landschappelijke randvoorwaarden. Drie van de zes provinciale landschappen liggen in het Nationaal Landschap Groene Hart (metropolitane landschappen uit de Voorloper Groene Hart). Binnen de overige drie provinciale landschappen vallen de drie rijksbufferzones in Zuid-Holland (Midden Delfland, Den Haag-Leiden-Zoetermeer en Oost-IJsselmonde). Er wordt naar gestreefd de bufferzone Oost-IJsselmonde uit te breiden, zodat de begrenzing samenvalt met het provinciaal landschap IJsselmonde. In dat geval zijn alle provinciale landschappen zowel beschermd via de bebouwingscontouren als door de status van rijksbufferzone of nationaal landschap. De provinciale landschappen worden gekenmerkt door een gebiedseigen landschappelijke identiteit en relatieve rust ten opzichte van de stad. Grote delen zijn cultuurhistorisch van belang. Die delen zijn aangeduid als topgebied of kroonjuweel cultureel erfgoed.

De ontwikkelingsopgave is veelzijdig en vormt een duidelijk provinciaal belang. Voorop staat vergroting van de recreatieve bruikbaarheid en aantrekkelijkheid van het landschap. Een aanzienlijke verbetering van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de gebieden is een voorwaarde voor een goede relatie met de omringende steden. Een fijnmazig netwerk van wandel- en fietspaden en vaarroutes moet hieraan bijdragen.
Andere gebiedsopgaven zijn het opruimen en tegengaan van verrommeling en het ontwikkelen van nieuwe recreatie- of natuurgebieden, waar nodig in combinatie met waterberging. Dit alles in evenwicht met de landschappelijke identiteit van het gebied. Tegelijk is het van groot belang de landbouw een duurzaam economisch perspectief te bieden, gericht op combinaties van agrarisch natuur- en landschapsbeheer en productie van goederen en diensten voor de stedelijke vraag.

Om een deel van de recreatietekorten op te lossen, zal in de komende jaren zo’n 5.000 hectare nieuw groen rond de steden worden gerealiseerd met een (intensieve) recreatiefunctie: Recreatie om de Stad (RodS). Deze ontwikkeling vindt plaats in zowel de provinciale landschappen als de regioparken. De kwaliteitseisen voor RodS-gebieden zijn: een gemiddelde opvangcapaciteit van 20 personen per hectare per dag, volledige openstelling en zonder betaling toegankelijk, en bereikbaar via wandel- en fietspaden vanuit de woonomgeving. Ondanks deze investeringen blijft er sprake van recreatieve tekorten. Om de recreatietekorten dichtbij huis te verminderen wordt vooral ingezet op een hogere kwaliteit en diversiteit van bestaande recreatiegebieden.



Regioparken

Regioparken zijn de grote recreatie- en natuurgebieden nabij de stad en buiten de provinciale landschappen. De regioparken liggen zowel tussen de stedelijke agglomeraties als aan de randen van het stedelijk netwerk en hebben veelal een regionale functie. Het accent ligt op ontwikkeling en beheer van recreatie en natuur, soms op kleine schaal in combinatie met verbrede landbouw. Een deel van de RodS-opgave krijgt hier gestalte. Voorbeelden van regioparken zijn het Bieslandse Bos/de Balij, de Delflandse Kust, de Brielse Maas/Bernisse, de Nieuwe Dordtse Biesbosch en de Veenweideparel in de Zuidplaspolder. Ontwikkeling en beheer van regioparken is gericht op redelijk intensief recreatief gebruik en een hoge recreatieve belevingswaarde. Natuur in de regioparken heeft bij voorkeur een robuust karakter. Ontwikkeling van nieuwe regioparken is mogelijk in gebieden die in de stedelijke invloedssfeer liggen. Zoeklocaties hiervoor zijn aangegeven in de Merwedezone en in de noordrand van de Hoeksche Waard. Met de realisering van nieuwe regioparken wordt feitelijk de Zuidvleugelgroenstructuur uitgebreid.



Grotere eenheden stedelijk groen

De grotere eenheden stedelijk groen vervullen een essentiële functie voor het leef- en vestigingsklimaat in de stad (recreatie, sport, natuur). Dit belang neemt toe met een verstedelijkingsopgave die grotendeels op binnenstedelijke intensivering is gericht. De provincie beschouwt daarom de grotere eenheden stedelijk groen als onderdeel van de groenstructuur en streeft ernaar deze beter in te bedden in de samenhangende groenstructuur. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits behoud van de groene functies en kwaliteiten voorop staat. Enkele voorbeelden zijn het Kralingse Bos in Rotterdam en het Zuiderpark in Den Haag.



Het verbindend groenblauw netwerk

De verbinding tussen de verschillende groengebieden is van wezenlijk belang voor het welslagen van de Zuidvleugelgroenstructuur. Het gaat om het voltooien van een compleet netwerk van recreatieve verbindingen tussen de provinciale landschappen, de regioparken, de stedelijke parken en de woonwijken en centra van het stedelijk gebied. Aantrekkelijke fiets- en voetpaden, wegen en vaarroutes dienen het samenbindend netwerk van de gehele groenstructuur te vormen. Waterwegen vormen in het waterrijke Zuid-Hollandse landschap een belangrijk onderdeel van het groenblauw netwerk. Ze zijn vaak te combineren met fiets- en voetpaden en hebben in veel gevallen een grote cultuurhistorische waarde.
Binnenstedelijk groen moet zonder hinderlijke barrières aansluiten op het buitenstedelijk groen, zodat er aantrekkelijke stad-land verbindingen ontstaan. Nieuwe infrastructuur wordt zo aangelegd dat barrièrewerking in stad-land verbindingen zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Om de samenhang en het netwerkkarakter te versterken zet de provincie in op de ontwikkeling van ondersteunende voorzieningen zoals toeristische opstappunten en recreatieve transferia. Door verschillende toeristisch- recreatieve elementen via een samenhangende routestructuur te verbinden tot een gevarieerd totaal aanbod wordt de bruikbaarheid en aantrekkelijkheid van de groenstructuur vergroot. Van belang is tevens de langeafstand fiets- en wandelpaden in het groenblauwe netwerk op te nemen, om daarmee het netwerk een grotere reikwijdte te geven.



4.9.1.2 Beschrijving van de provinciale landschappen


Kaart 4.9.1.2 Provinciale landschappen



Midden-Delfland

Midden-Delfland is een agrarisch cultuurlandschap met hoge recreatieve, cultuurhistorische en ecologische waarde voor meer dan 1 miljoen mensen in de directe omgeving. Het gebied vormt als open ruimte een sterk contrast met het omliggende stedelijk gebied. Het bestaat uit veenweidelandschap met kreken met in het oostelijk deel een overgang naar kleinschalig droogmakerijenlandschap. De randen van Midden Delfland zijn ingericht als recreatiegebied. Dorpen, bebouwingslinten en vaarten vormen onderdeel van de landschapsstructuur. Het landschap wordt doorsneden door zware infrastructuur. De gebiedsopgaven vinden grotendeels plaats in het kader van het project Hof van Delfland.

Gebiedsopgaven

  • openheid en vitaliteit van het agrarisch landschap waarborgen, gericht op verbrede landbouw, behoud van natuurwaarden en sanering van verspreid glas;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk in Midden-Delfland en naar omliggende steden, regioparken en provinciale landschappen (Delflandse kust, Groenblauwe Slinger, Wijk en Wouden, Bentwoud Rottemeren). Behoud van het waternetwerk en de lintenstructuur is hierbij richtinggevend;
  • herinrichting van bestaande en ontwikkeling van nieuwe recreatiegebieden afstemmen op de actuele recreatieve vraag en de landschappelijke identiteit; 
  • uitwerking van een klimaatbestendig watersysteem; 
  • behouden en versterken van het OV-Panorama tussen Delft en Schiedam. Bescherming en versterking cultuurhistorische kwaliteiten (topgebied en kroonjuweel);
  • inpassing van de A4 en de A13-16. Realisering en ontwikkeling van de A4 vindt plaats in het project Integrale Ontwikkeling Delft Schiedam. Voor de inpassing van de A13/A16 zijn procesafspraken gemaakt.


Land van Wijk en Wouden

Een grote kwaliteit van het Land van Wijk en Wouden ligt in de tegenstelling tussen dit open landschap en de verstedelijking daaromheen. Typerend is de begrenzing door infrastructuur (A4 en N11). Het landschap is onderdeel van het Groene Hart. Het noordelijk deel bestaat vooral uit veenpolders en het zuidelijk deel uit droogmakerijen. Wijk en Wouden is hét voorbeeldgebied voor verbreding van de landbouw: grondgebonden melkveehouderij met nevenfuncties voor natuur, landschap, water en recreatie.

Gebiedsopgaven

  • openheid en vitaliteit van het agrarisch landschap waarborgen, gericht op verbrede landbouw, behoud natuurwaarden en sanering van verspreid glas;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk in Wijk en Wouden en naar omliggende steden, regioparken en provinciale landschappen;
  • herinrichting van bestaande en ontwikkeling van nieuwe recreatiegebieden afstemmen op de actuele recreatieve vraag en de landschappelijke identiteit;
  • duurzaam waterbeheer door minimale verdroging van veengebieden en inrichting van waterbergingsgebieden;
  • bescherming en versterking cultuurhistorische kwaliteiten (topgebied en kroonjuweel);
  • behouden en versterken snelwegpanorama A4 en OV-panorama tussen Zoeterwoude en Alphen;
  • zodanige keuzes ten aanzien van (uitbreiding van) intensieve dagrecreatieve voorzieningen in en om Buytenpark Zoetermeer, dat natuur- en recreatiewaarden van het park en de landschappelijke kwaliteit zo minimaal als mogelijk worden aangetast;
  • de locatie Zwethof bij Zoeterwoude-Dorp moet ontwikkeld worden voor de bouw van 5 cliëntwoningen voor 6 clienten per woning, 1 dagverblijf (ca 1000 m2) en 35 marktwoningen. Daarbij dient voldoende ruimte te worden gereserveerd voor een groenblauwe inpassing in het aangrenzende landelijk gebied. Tevens dient aansluitend aan de zuidelijke rand van de bebouwing van Zoeterwoude en de nieuwe uitleg te worden geïnvesteerd in natuurontwikkeling ter compensatie van het feit dat een deel van het tot het Groene Hart behorende gebied wordt bebouwd.


Duin, Horst en Weide

Duin, Horst en Weide is bij uitstek een kustlandschap. Met een unieke en gave opeenvolging van jonge duinen, beboste strandwallen, open strandvlakten en de Vliet, parallel aan de kustlijn is de ontstaansgeschiedenis nog zeer herkenbaar. Deze landschapsstructuur wordt in hoge mate versterkt door de omvangrijke landgoederenzone tussen Den Haag en Leiden. Het gebied vormt ecologisch en landschappelijk een belangrijke verbinding tussen de kustzone en het Groene Hart. Ondanks de nabijheid van de stad is de invloed van het stedelijk gebied relatief beperkt. De zone tussen de Vliet en de A4 is ingericht als natuur- en recreatiegebied. Ten westen daarvan tussen Vliet en Spoorlijn ligt tussen de kernen Leidschendam en Voorschoten de Duivenvoordecorridor. In deze corridor wordt gewerkt aan kwaliteitsverbetering door het opruimen van verouderd glas. Deze transformatie vindt plaats op basis van de zevende herziening (2008) van het streekplan West.

Gebiedsopgaven

  • bescherming en versterking van het duingebied en de landgoederenzone (EHS, topgebied en kroonjuweel cultuurhistorie);
  • sanering verspreid glas;
  • goede inpassing van de bouwlocatie Valkenburg en de Rijnlandroute, er vanuit gaand dat de ontwikkeling van de bouwlocatie start in het noorden (N206). Indien er onvoldoende behoefte is aan woningen in het topmilieu, zal het niet ontwikkelde zuidelijke deel van de locatie toegevoegd worden aan de groene bufferzone tussen Valkenburg en Wassenaar. In dat geval moet het appartementengebouw Landmark meer naar het noorden gesitueerd worden;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk in Duin, Horst en Weide naar de omliggende steden en Wijk en Wouden, met de Vliet als belangrijke drager;
  • opruimen verrommeling in de Duivenvoordecorridor.


Hollands Plassengebied

Dit gebied, gelegen in het Groene Hart tussen de Zuidvleugel en de Noordvleugel kent een sterke stedelijke en recreatieve druk. Het Hollands Plassengebied is deels een zeer waterrijk veenweide-en plassenlandschap en in het oostelijk deel grootschalig droogmakerijenlandschap. De plassen, de bijzondere verkaveling en het grote aantal molens vertegenwoordigen een grote cultuurhistorische waarde. Het gebied is belangrijk voor de waterrecreatie.

Gebiedsopgaven

  • Het gaat er in dit gebied om het provinciaal landschap te verstevigen. Daarvoor zijn de opgaven: 
  • openheid en vitaliteit van het agrarisch landschap waarborgen, gericht op verbrede landbouw, behoud natuurwaarden en sanering van verspreid glas;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk in Wijk en Wouden en naar omliggende steden, regioparken en landschappen;
  • versterking (watergebonden) recreatiemogelijkheden, onder uitsluiting van intensieve faciliteiten in de Broek- en Simontjespolder;
  • bescherming en versterking cultuurhistorische kwaliteiten (topgebied en kroonjuweel);
  • behouden en versterken OV-panorama tussen Warmond en de Haarlemmermeer;
  • nadere afweging zoeklocatie glastuinbouw.


Bentwoud-Rottemeren

Dit gebied bestaat geheel uit droogmakerijenlandschap, doorsneden door de Rotte en Rottemeren. Het oorspronkelijk landschap is sterk veranderd door de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Daarnaast kent het gebied ook cultuurhistorisch waardevol droogmakerijenlandschap. Het gebied vervult een belangrijke recreatieve uitloopfunctie voor het stedelijk gebied

Gebiedsopgaven

  • openheid en vitaliteit van het agrarisch landschap waarborgen, gericht op verbrede landbouw, behoud natuurwaarden en sanering van verspreid glas;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk tussen Bentwoud en de Rottemeren en naar omliggende steden, regioparken en landschappen;
  • voltooiing strategisch groenproject Bentwoud: omvorming naar een landschap met bos, water en moeras voor de functies recreatie en natuur;
  • bescherming en versterking cultuurhistorische kwaliteiten (topgebied);
  • behouden en versterken OV-panorama tussen de Rotte en de Zuidplaspolder.


IJsselmonde

IJsselmonde vormt een relatief kleinschalig en afwisselend veen- en kleipolderlandschap, dat begrensd wordt door stedelijk gebied in het noorden en de Oude Maas in het zuiden. Verstedelijking en zware infrastructuur (A16, A15, Betuweroute, HSL en rangeerterrein Kijfhoek) hebben het landschap beïnvloed en gefragmenteerd.
De Oude Maas, omzoomd met getijdengrienden en recreatiegebieden vormt de verbindende schakel tussen oost en west en is daarmee een belangrijke drager van het landschap.

Gebiedsopgaven

  • aanzienlijke versterking van de landschappelijke kwaliteit in relatie tot de ontwikkeling van nieuwe recreatie- en natuurgebieden, versterking van de verbrede landbouw, sanering van verspreid glas en andere verrommeling en tegengaan van verdere versnippering;
  • completeren van een fijnmazig groenblauw netwerk binnen IJsselmonde en naar omringend stedelijk en landelijk gebied met opheffing van barrières in het netwerk;
  • betere inpassing van het nationale spoor -en wegennet;
  • deze opgaven krijgen integraal gestalte via de gebiedsprojecten Deltapoort en Buytenland. Aanvullende opgave hierbij is een goede samenhang tussen beide projecten.

 



4.10 Beschrijving legenda van functie- en kwaliteitskaart

Deze paragraaf geeft een beschrijving van de legenda-eenheden van de functie- en de kwaliteitskaart.

De functiekaart bevat in verschillende kleuren de aanduidingen voor de gewenste en mogelijke ruimtelijke functies voor het stedelijk en landelijk gebied in de provincie tot 2020.
De functies waarvan de locatie en begrenzing vastliggen, zijn in kleur en vlakdekkend aangegeven. Veelal is sprake van één hoofdfunctie, in sommige gevallen is sprake van een combinatie van functies in hetzelfde gebied. Diverse functies zijn aangeduid met een symbool. Dit is het geval als de locatie wel duidelijk is, maar de exacte begrenzing nog niet. In enkele gevallen is volstaan met een symbool, omdat de begrenzing vastgelegd is in andere beleidsdocumenten. Voor een aantal functies wordt de mogelijkheid onderzocht nieuw areaal te ontwikkelen. Deze zoekruimte is indicatief aangeduid met een symbool; precieze locatie en begrenzing zijn uiteraard nog niet bekend.

Naast de voorgaande beschrijving van de legenda-eenheden voor de functiekaart kent de kwaliteitskaart nog een aantal specifiek op kwaliteit van de gewenste inrichting geënte legenda-eenheden. Deze zijn aan het eind van deze paragraaf apart beschreven.
De kwaliteitskaart bevat de aanduidingen voor de bestaande en gewenste ruimtelijke kwaliteiten voor het stedelijk en landelijk gebied tot 2020, voorzover van provinciaal belang. De aanduidingen hebben een globaal karakter. De kwaliteitskaart geeft richting en stelt randvoorwaarden aan de ordening en ontwikkeling van de mogelijke en gewenste functies. Daarmee zijn de functiekaart en de kwaliteitskaart evenwaardig en complementair.

Het kaartbeeld is globaal. Gebieden met een oppervlakte van minder dan 5 ha zijn meestal niet apart aangeduid.



Stads- en dorpsgebied

Aaneengesloten bebouwd gebied, waarin de functies wonen, werken en voorzieningen gemengd en gescheiden voorkomen.



Stads- en dorpsgebied met hoogwaardig OV

Delen van het stads- en dorpsgebied die in de nabijheid en invloedssfeer liggen van haltes van hoogwaardig openbaar vervoer van het Zuidvleugelnet.



Stedelijk groen

Groengebied binnen stads- en dorpsgebied met als hoofdfunctie recreatie waaronder parken en sportvoorzieningen, volkstuinen en/of begraafplaats. Vormt onderdeel van de Zuidvleugelgroenstructuur.



Stedelijk groen buiten de contour

Groengebied buiten en meestal in aansluiting op het stads- en dorpsgebied cq. de bebouwingscontour met als hoofdfunctie sportterrein, volkstuinen en/of begraafplaats.



Zoeklocatie stads- en dorpsgebied

Indicatieve aanduiding voor mogelijke ontwikkeling van stads- en dorpsgebied.



Zoeklocatie landelijk wonen

Indicatieve aanduiding voor mogelijke ontwikkeling van landelijk wonen buiten bebouwingscontouren, conform bestaande bestuurlijke afspraken.



Internationaal centrum

Door hoogwaardig openbaar vervoer ontsloten stedelijk centrumgebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor gemengde functies (wonen, werken, voorzieningen) van (inter)nationale betekenis en allure.



Bovenregionaal centrum

Door hoogwaardig openbaar vervoer ontsloten stedelijk centrumgebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor gemengde functies (wonen, werken, voorzieningen) van (boven)regionale betekenis.



Regionaal centrum

Stedelijk - of dorpscentrumgebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor gemengde functies (wonen, werken, voorzieningen) van regionale betekenis.



Toeristisch centrum

Complex van toeristische en recreatieve voorzieningen in het stedelijk of landelijk gebied van (inter)nationale betekenis en allure.



Kenniscentrum

Universiteitscomplex en/of bedrijventerrein dat primair bestemd is voor hoogwaardige en kennisgerichte instituten of bedrijven van (inter)nationale betekenis.



Bedrijventerrein Mainport

Aaneengesloten bebouwd gebied met als hoofdfunctie water- en havengebonden bedrijvigheid, veelal in de hogere milieucategorieën, met productie, opslag, transport en distributie, nutsvoorzieningen, evenals hieraan verbonden kantoorfuncties in het haven- en industriegebied van Rotterdam en de Drechtsteden.



Bedrijventerrein

Aaneengesloten bebouwd gebied met als hoofdfunctie bedrijvigheid, waaronder begrepen productie, transport en distributie, veilingen, nutsvoorzieningen evenals hieraan verbonden kantoorfuncties.



Zoeklocatie bedrijventerrein

Indicatieve aanduiding voor een mogelijke en nader te begrenzen locatie voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein.



Glastuinbouwbedrijvengebied

Aaneengesloten bebouwd gebied met als hoofdfuncties glastuinbouw en overige, aan de ontwikkeling van de greenport Westland-Oostland gebonden functies.



Glastuinbouwgebied

Aaneengesloten bebouwd gebied met als hoofdfunctie glastuinbouw.



Zoeklocatie glastuinbouw

Indicatieve aanduiding voor een mogelijke en nader te begrenzen locatie voor de ontwikkeling van aaneengesloten glastuinbouwgebied.



Transformatiegebied

Gebied waarvan de aangegeven, bestaande functie onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk getransformeerd kan worden naar één of meerdere andere functies, mits passend in de ruimtelijke en bestuurlijke context. De richting van de functieverandering is globaal bekend, de precieze omvang, locatie en inrichting van de functie(s) nog niet.



Hogesnelheidslijn

Spoorlijn voor personenvervoer die deel uitmaakt van het Europees hogesnelheidsnet.



(Inter)nationaal goederenspoor

Spoorlijn uitsluitend bedoeld voor (inter)nationaal goederentransport; de Betuweroute.



Zuidvleugelnet

De (boven)regionale rail- en busverbindingen die gezamenlijk een samenhangend en hoogwaardig openbaar vervoersnet binnen Zuid-Holland vormen. Het betreft de Stedenbaan, regionale railverbindingen (lightrail, metro en sneltram) en regionale tram- of busverbindingen.



Stedenbaan

De spoorlijnen Haarlem - Leiden - Den Haag - Delft - Rotterdam - Dordrecht, alsmede Den Haag - Gouda en Rotterdam - Gouda. Bestaande en geplande stations aan deze railverbindingen zijn "dragers" voor stedelijke ontwikkeling.



(Inter)nationale wegverbinding

Bestaande of in de planperiode te realiseren of te verbreden weg die functioneert als achterlandverbinding, hoofdtransportas of als onderdeel van het (inter)nationaal wegennet. Indien de verbinding nog gerealiseerd moet worden, is het tracé bekend en de financiering verzekerd.



(Boven)regionale wegverbinding

Bestaande of binnen de planperiode te realiseren of te verbreden weg die functioneert als onderdeel van het (boven)regionaal of provinciaal wegennet. Indien de verbinding nog gerealiseerd moet worden, is het tracé bekend en de financiering verzekerd.



Reservering wegverbinding

Bij voorkeur binnen de planperiode te realiseren wegverbinding, waarvan het tracé globaal bekend is, maar de financiering nog niet verzekerd. Deze verbindingen mogen ruimtelijk niet onmogelijk gemaakt worden.



Infrastructuur

Ruimte naast wegen en spoorlijnen met primair een verkeerskundige functie (verkeerspleinen e.d.).



Luchthaven

Stedelijk gebied met een functie voor de luchtvaart; het gebied van de luchthaven Rotterdam/The Hague Airport.



Leidingenstraat

Tracé voor het bundelen van ondergrondse leidingen van bovenregionale betekenis. Andere functies dan ondergrondse leidingen zijn niet mogelijk.



Leidingenstrook

Tracé voor het bundelen van ondergrondse leidingen van bovenregionale betekenis. Andere functies zijn mogelijk mits niet in strijd met de transportfunctie.



Water

De zee, zeearmen, rivieren, kanalen, plassen, boezems en overige binnenwateren met een hoofdfunctie voor de waterhuishouding en veelal een nevenfunctie voor natuur, recreatie en/of scheepvaart.



Provinciale vaarweg

Waterweg ten behoeve van de beroeps- en recreatievaart in beheer bij de provincie.



Zandmotor Delflandse kust

Indicatieve aanduiding voor een innovatief pilotproject gericht op (meer natuurlijk) kustbeheer en ontwikkeling.



Studiezone kustuitbreiding

Indicatieve aanduiding van het gebied voor de Delflandse Kust waar de ruimtelijke ontwikkeling nog onderwerp van studie is. Het gaat om maatregelen in het kader van versterking van de kust, kwaliteitsverbetering (natuur, recreatie en toerisme) van de kustzone en het direct daarachter gelegen gebied.



Primaire waterkering (incl. kustfundament begrenzing landzijde)

Waterkeringen langs de kust en de grote rivieren volgens de Wet op de waterkeringen.



Zoetwaterkanaal

Binnendijks gelegen hoofdwatergang voor de aanvoer van zoet water.



Zoeklocatie zoetwaterkanaal

Indicatieve aanduiding van een nader te bepalen tracé voor een zoetwaterkanaal



Grondwaterbeschermingsgebied

Gebieden met een functie voor de bescherming en productie van drinkwater. Andere functies mogen deze functie niet belemmeren.



Waterbergingslocatie

Indicatieve aanduiding van een gebied met een functie voor waterberging, veelal in combinatie met recreatiegebied, natuurgebied of agrarisch landschap.



Provinciegrens

Grens van de provincie Zuid-Holland.



Agrarisch landschap - boom- en sierteelt

Landelijk gebied met landschappelijke, cultuurhistorische waarden en een overwegend agrarische functie gericht op grondgebonden sierteelt. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Boom- en sierteeltgebied PCT-terrein

Gebied voor concentratie van niet-grondgebonden boom- en sierteeltbedrijven en aan de boom- en sierteeltgebonden handelsbedrijven.



Agrarisch landschap - bollenteelt

Landelijk gebied met landschappelijke, cultuurhistorische waarden en een overwegend agrarische functie gericht op grondgebonden bollenteelt. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Compensatiegebied bollenteelt

Graslanden die in aanmerking komen voor omzetting naar bollenland als compensatie voor verloren gegaan bollenareaal.



Agrarisch landschap - inspelen op bodemdaling

Landelijk gebied met landschappelijke, cultuurhistorische waarden en een overwegend agrarische functie die inspeelt op bodemdaling. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Agrarisch landschap - inspelen op verbinding stad-land

Landelijk gebied in de stedelijke invloedssfeer met landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve waarden met een overwegend agrarische functie. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Agrarisch landschap - risico's op verzilting

Landelijk gebied met landschappelijke, cultuurhistorische waarden, een overwegend agrarische functie en een opgave voor een adequate zoetwatervoorziening. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Agrarisch landschap

Landelijk gebied met landschappelijke en cultuurhistorische waarden en een overwegend agrarische functie. Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor.



Provinciaal landschap

Begrensd landschap onder stedelijke invloed, gelegen tussen stedelijke agglomeraties en in meer dan één regio, met hoge recreatieve en landschappelijke waarden en een accent op verbrede landbouw.



Natuurgebied / ecologische verbinding

Gebied / verbinding met als hoofdfunctie natuur. Daarin is, mits niet in strijd met de hoofdfunctie, recreatief medegebruik mogelijk. Delen van de duinen hebben bovendien een functie voor de waterwinning en waterkering.



Zoekgebied natuur

Gebied met een agrarische bestemming waarover nog afweging moet plaatsvinden of het gebied tot natuur ontwikkeld wordt.



Natura2000-gebied

Gebieden of wateren met hoge natuurwaarden die internationale bescherming genieten. Het betreft de gebieden die zijn aangewezen onder de Vogel– en/of de Habitatrichtlijn.



Belangrijk weidevogelgebied

Agrarisch landschap met te beschermen functie voor weidevogels.



Groene Ruggengraat (indicatief tracé)

Indicatief tracé voor de ontwikkeling en bescherming van natte natuur in het Groene Hart, die in samenhang met de bestaande gebiedskwaliteiten wordt ontwikkeld.



Recreatiegebied

Groengebied buiten het stads- en dorpsgebied met als hoofdfunctie openluchtrecreatie. Daarbinnen kunnen landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden voorkomen.



Zoeklocatie recreatiegebied

Indicatieve aanduiding voor een mogelijke en nog te begrenzen locatie voor openluchtrecreatie.



Zoeklocatie regiopark

Indicatieve aanduiding voor de ontwikkeling van recreatiegebied in de stedelijke invloedssfeer, met versterking van de landschappelijke kwaliteiten.



Voorziening intensieve dagrecreatie

Recreatiegebied ingericht voor zeer intensief gebruik met op de recreatiefunctie gerichte bebouwing.



Stortplaats met overwegend recreatieve eindbestemming

Gebied (3e Merwedehaven Dordrecht) tijdens de planperiode in gebruik als stortplaats, die in en na de planperiode grotendeels wordt ingericht als recreatiegebied.



Verblijfsrecreatiegebied

Gebied met hoofdfunctie verblijfsrecreatie (campings, bungalowparken en dergelijke).



Zoeklocatie verblijfsrecreatie

Globale aanduiding voor een mogelijke en nader te begrenzen locatie voor de ontwikkeling van verblijfsrecreatie.



Beschrijving legenda-eenheden kwaliteitskaart (voor zover niet al benoemd voor de functiekaart)

Stedelijk netwerk

Stads- en dorpsgebied bestaande uit samenhangende stedelijke agglomeraties en kernen die gekoppeld zijn aan het Zuidvleugelnet.



Dorpskern

Kleinschalig stads- en dorpsgebied, omgeven door landelijk gebied en niet gekoppeld aan het Zuidvleugelnet.



Hoogstedelijk (centrum)gebied

Centrumgebied (van Den Haag/Scheveningen en Rotterdam) dat ontsloten wordt door hoogwaardig openbaar vervoer. Het gaat hier om multifunctionele ontwikkeling die wordt gekenmerkt door intensief ruimtegebruik en een hoogstedelijk karakter.



Historische kern

Historische stads- of dorpskern; nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen gebaseerd te zijn op de cultuurhistorische waarden van de stads- of dorpskern.



Glastuinbouwlandschap

Combinatie van glastuinbouwbedrijvengebieden/greenport en glastuinbouwgebieden. Landschappelijke kwaliteiten in deze gebieden moeten worden geënt op de glastuinbouwfunctie en de daaraan gebonden bedrijvigheid.



Snelwegpanorama

Gebieden langs snelwegen in nationale landschappen die gekenmerkt worden door waardevolle doorzichten op het open landschap grenzend aan de weg. Ontwikkelingen in deze zones zijn alleen mogelijk als zij geen afbreuk doen aan de kwaliteit van openheid en de zichtlijnen vanuit de infrastructuur, naast de kernkwaliteiten en cultuurhistorie in die zones.



Openbaar vervoerpanorama's

Gebieden langs spoorlijnen die gekenmerkt worden door waardevolle doorzichten op het open landschap grenzend aan de spoorlijn. Ontwikkelingen in deze zones zijn alleen mogelijk als zij geen afbreuk doen aan de kwaliteit van openheid en de zichtlijnen vanuit de infrastructuur, naast de kernkwaliteiten en cultuurhistorie in die zones.



Landschapstypen

Voor de onderstaande landschapstypen geldt dat ruimtelijke ontwikkelingen in die gebieden uit moeten gaan van het behoud en ontwikkeling van de in paragraaf 4.8.1.2 voor die landschapstypen benoemde kernkwaliteiten. Het gaat om:

  • Veenweidelandschap
  • Plassenlandschap
  • Veenweide-krekenlandschap
  • Droogmakerijenlandschap
  • Landgoederenlandschap
  • Sierteelt-veenlandschap
  • Bollenteelt-zanderijenlandschap
  • Duinlandschap
  • Schurvelingenlandschap
  • Zeekleipolderlandschap
  • Veenpolderlandschap
  • Rivierenlandschap
  • Buitendijks natuurlandschap


Groenblauw netwerk

Het geheel van groene en waterverbindingen met recreatieve, landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke kwaliteiten tussen recreatie- en natuurgebieden en stedelijke groengebieden. Het groenblauwe netwerk is de drager voor de fijnmazige routestructuur op gebiedsniveau.



(Cultuurhistorisch waardevol) bebouwingslint

Aanduiding voor landschappelijk waardevolle en/of cultuurhistorisch waardevolle aangesloten bebouwing in een lint langs wegen, waterwegen of dijken. In bebouwingslinten is alleen incidentele toevoeging van bebouwing mogelijk, onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt.



Dijk, hoogteverschil

Bestaande of voormalige waterkeringen in het landelijk gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde, of hoogteverschil van minstens enkele meters tussen gebieden/landschappen.



Kade en landweg

Bestaande of voormalige lagere waterkeringen respectievelijk verbinding in het landelijk gebied met landschappelijke en cultuurhistorische waarde.



Kreek, vaart en wetering

Waterlopen in het landelijk gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde.



Topgebied cultureel erfgoed

Gebieden waar cultuurhistorische en landschappelijke waarden in bijzondere mate en in onderlinge samenhang voorkomen. Het cultureel erfgoed is hier nog in grote mate bepalend voor het karakter en de ruimtelijke kwaliteit.



Kroonjuweel cultureel erfgoed

Gebieden binnen de topgebieden cultureel erfgoed waar cultuurhistorische en landschappelijke waarden in zeer sterke mate en in onderlinge samenhang bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van een plek.



Stiltegebied

Indicatieve aanduiding van een gebied waar regelgeving geldt ter bescherming van de aanwezige stilte. De exacte begrenzing ervan en de regelgeving zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening.



Recreatietransferium

Indicatieve aanduiding voor een ondersteunende voorziening in het groenblauwe netwerk waar diverse recreatieve verbindingen bijeenkomen. Het recreatietransferium is bij voorkeur ontsloten door openbaar vervoer en vormt een centrale entree voor de beleving van het achterliggende (recreatieve) landschap. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn gericht zijn op deze ontsluitende- en knooppuntfunctie.