Toelichting

Reactieve Aanwijzing

Aan: De Raad van de gemeente Albrandswaard

Onderwerp: Aanwijzing ex artikel 3.8, lid 6 van de Wet ruimtelijke ordening inzake het bestemmingsplan Buytenland van Rhoon

Geachte leden van de gemeenteraad,

Op 26 april 2010 heeft u het bestemmingsplan 'Buytenland van Rhoon' (voorheen 'Landschapspark Buytenland') gewijzigd vastgesteld. Overeenkomstig artikel 3.8., lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ontvingen wij op 29 april 2010 langs elektronische weg het raadsbesluit.

Na bestudering van uw besluit vinden wij het noodzakelijk om, overeenkomstig artikel 3.8, lid 6 van de Wro, een aanwijzing te geven, ertoe strekkende dat de artikelen 8.1 (deels), 34.6 (deels) en 34.7, alsmede de aanduiding 'wro-zone -wijzigingsgebied 7' op de verbeelding geen onderdeel blijven uitmaken van het bestemmingsplan, zoals dat is vastgesteld.

Wij hebben hierbij het volgende overwogen.



Artikel 8 - Natuur 2

De realisatie van het Landschapspark Buytenland maakt deel uit van de PKB PMR. In de Uitwerkingsovereenkomst PMR/750ha (UWO) is vastgelegd dat de provincie Zuid-Holland verantwoordelijk is voor de planvorming en realisering van het landschapspark. In het streek- en structuurplan 'RR2020' zijn aan het plangebied de aanduidingen 'Openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen' en 'Natuurgebied, te ontwikkelen' toegekend, welke in het ontwerp van de provinciale structuurvisie zijn vervangen door 'Recreatiegebied' en 'Natuurgebied'. In het provinciaal collegeprogramma is de realisering van het landschapspark benoemd als een Integraal Ruimtelijk Project (IRP). De uitvoering van de vastgelegde afspraken heeft derhalve hoge prioriteit.

In de PKB PMR is vastgelegd dat ten zuiden van de Essendijk een gebied van ongeveer 400 ha met hoogwaardige natuur dient te worden gerealiseerd. Ter zake van hoogwaardige natuur wordt in het Toetsingskader PMR/750ha (een bijlage bij de UWO) verwezen naar het Handboek Natuurdoeltypen van het ministerie van LNV. Aan de orde zijn thans de natuurdoeltypen 2.8 (natte natuur) en 3.50 (natuurakkers).

Deze natuurdoeltypen verschillen van elkaar wat betreft vereisten en uiterlijke verschijningsvorm. De verschillen betreffen onder meer de grondwaterstand, fluctuaties in de grondwaterstand, waterkwaliteit, het beheer, de exploitatie en de combinatiemogelijkheden met bijvoorbeeld aan landbouw gerelateerde activiteiten, recreatieve voorzieningen en waterzuivering. Dit betekent dat ten aanzien van de situering van beide natuurdoeltypen gezocht moet worden naar aansluiting bij de huidige landschapskenmerken zoals de polders, de dijken, de openheid, ongereptheid en de hoogteligging van het gebied. Dit is in het milieueffectrapport (MER) in beeld gebracht.

In het MER is een voorkeursalternatief (VKA) opgenomen. Dit VKA doet naar onze mening zowel recht aan de natuurdoelstelling als aan de wens van uw gemeente om een gedeelte van het huidige (agrarische) landschapsbeeld te behouden. Dit laatste in de vorm van natuurakkers. Onderzoek naar bedrijfstypen door het LEI, Alterra en CLM heeft duidelijk gemaakt dat er goede mogelijkheden zijn voor agrarisch beheer.
Omwille van het lokale draagvlak is in het VKA het areaal natuurakkers (100ha) groter, en dus ook het areaal natte natuur kleiner (300ha), dan uit een oogpunt van natuurkwaliteit gewenst is. Alternatieven waarbij het areaal natuurakkers groter en dus het areaal natte natuur kleiner wordt, scoren in het milieueffectrapport (MER) op hoogwaardige natuur (doelbereik) slechter. Één en ander is nog eens bevestigd in de reacties van het Rijk op het MER en uw voorontwerpbestemmingsplan. Hierbij zij nog opgemerkt dat in het handboek voor natuurakkers wordt aangegeven dat een beperkte oppervlakte van ongeveer 40 ha al voldoende is voor een goed natuurresultaat en dat een grotere oppervlakte daaraan maar beperkt toevoegt.

Op basis van het voorgaande hebben wij in onze zienswijze verzocht om ligging en omvang van het areaal natuurakkers in overeenstemming te brengen met het VKA. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft u deze zienswijze niet overgenomen en is voor het noordelijk deel van de Zegenpolder de bestemming "Natuur - 2" gehandhaafd. Één en ander is voor ons aanleiding om een aanwijzing te geven met betrekking tot de zinsnede "dat voldoet aan natuurdoeltype 3.50 (akker van basenrijke gronden) van het Handboek Natuurdoeltypen (zie bijlage 3)" in artikel 8.1, onder a van de planregels. Op deze wijze kunnen binnen de bestemming 'Natuur - 2" ook andere natuurdoeltypen dan natuurakkers worden gerealiseerd. Aangezien de feitelijke inrichting van het landschapspark onder provinciale regie zal plaatsvinden, biedt deze bestemming de mogelijkheid voor een inrichting conform het VKA.
Wij wijzen er hierbij nogmaals op dat in het Handboek Natuurdoeltypen wordt aangegeven dat voor natte natuur een minimumareaal van 500 ha noodzakelijk is. Aangezien hierbij de ten zuiden van het plangebied gelegen gebieden Rhoonse en Carnisse Grienden en Klein Profijt (in totaal ongeveer 200 ha) mogen worden meegerekend, betekent dit voor het zuidelijk deel van het plangebied dat minimaal 300 van de 400 ha voor natte natuur dient te worden ingericht.



Artikel 34.6

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft u een wijzigingsbevoegheid opgenomen ten behoeve van het toevoegen van incidentele bebouwing aan de Rijsdijk en de Achterdijk (artikel 34.6). Op basis van deze bevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders de bestemming van de binnen wijzigingsgebied 6 gelegen gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen' en zonodig de bestemming 'Tuin' ten behoeve van het toevoegen van een woning en/of het verplaatsen van een bestaande woning naar een andere locatie op het perceel. Tegen het verplaatsen van woningen hebben wij in beginsel geen bezwaar. Het toevoegen van (burger)woningen aan het buitengebied is echter in strijd met zowel het huidige (nota Regels voor Ruimte) als het toekomstige provinciaal beleid (artikel 2 van de Verordening Ruimte), zoals dat naar verwachting op 30 juni 2010 door Provinciale Staten zal worden vastgesteld. 

Op basis van het voorgaande richt de aanwijzing zich op de volgende onderdelen van artikel 34.6:

  • De zinsnede "het toevoegen van een woningen en/of" in artikel 34.6, onder a;
  • Artikel 34.6, onder b, sub 5 t/m 8
     

 



Artikel 34.7

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft u een wijzigingsbevoegheid opgenomen ten behoeve van het toevoegen van een woning aan de Essendijk (artikel 34.7). Zoals wij hiervoor reeds hebben aangegeven, is het toevoegen van (burger)woningen aan het buitengebied in strijd met zowel het huidige (nota Regels voor Ruimte) als het toekomstige provinciaal beleid (artikel 2 van de Verordening Ruimte).
Op basis van het voorgaande geven wij een reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 34.7 van de planregels, alsmede de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 7' op de verbeelding.
 



Motiveringsplicht art. 3.8, lid 6 Wro

Ten aanzien van de in artikel 3.8, lid 6 opgenomen voorwaarde dat moet worden aangegeven welke feiten, omstandigheden en overwegingen ons hebben belet de betrokken belangen met inzet van andere bevoegdheden te beschermen, merken wij het volgende op.
De betreffende extra motiveringsplicht is in de wet opgenomen om te voorkomen dat provincie en/of het Rijk het betreffende instrument zouden gebruiken om achteraf in te grijpen, terwijl al vooraf met andere wettelijke bevoegdheden hetzelfde doel had kunnen worden bereikt.
Bij die andere wettelijke bevoegdheden zijn met name de pro-actieve aanwijzing, het provinciale inpassingsplan/projectbesluit en het inzetten van algemene regels (de provinciale verordening) relevant.

Bij ons besluit om in dit geval het instrument van de zogenoemde reactieve aanwijzing in te zetten hebben wij overwogen of op basis van die andere instrumenten de bewuste ruimtelijke doelen - het in overeenstemming brengen van het areaal natuurakkers met het VKA en het voorkomen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied - evengoed of beter zouden of hadden kunnen worden bereikt.
Die vraag hebben wij op grond van de hierna volgende overwegingen ontkennend beantwoord.
Het geven van een "proactieve " aanwijzing aan de gemeenteraad als bedoeld in artikel 4.2 lid 1 van de wet ligt naar ons oordeel in dit geval beslist niet voor de hand. De in dat artikel bedoelde aanwijzing - op het negeren waarvan overigens geen sanctie staat - is met name aan de orde als nog geen sprake is van een bestemmingsplan dat in procedure is.
Evenmin achten wij het in de rede liggen dat voor het noordelijk deel van de Zegenpolder een provinciaal inpassingsplan wordt vastgesteld danwel een provinciaal projectbesluit wordt genomen. Nu de inrichting van het landschapspark onder provinciale regie zal plaatsvinden is het middels het geven van een reactieve aanwijzing 'verbreden' van de bestemming "Natuur - 2" voor de betrokken partijen stukken eenvoudiger, sneller en duidelijker dan het in procedure brengen van een provinciaal inpassingsplan of projectbesluit.
Met betrekking tot het eventueel inzetten van algemene regels in de vorm van een provinciale verordening merken wij het volgende op. De aanwezigheid van een dergelijke verordening brengt ingevolge het bepaalde in artikel 4.1 lid 2 dat de raad binnen een bepaalde termijn een bestemmingsplan vaststelt met inachtneming van de verordening. Vanwege haar generieke karakter leent het instrument verordening zich volgens ons minder goed om het opnemen van de bestemming "Natuur - 1" voor het noordelijk deel van de Zegenpolder voor te schrijven. Het voorkomen van de bouw van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied vinden wij wel van zodanig provinciaal belang dat wij in de thans in voorbereding zijnde provinciale verordening Ruimte daartoe generieke bepalingen hebben opgenomen waaraan ook eventuele herzieningen van bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Naast bovenstaande overwegingen vinden wij voor de twee wijzigingsbevoegdheden van doorslaggevend belang dat er voor ons college tot op het moment dat de raad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld geen enkele aanleiding bestond om toepassing te geven aan één van de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening ons biedt. Noch het geldende bestemmingsplan noch het aan ons toegezonden voorontwerpbestemmingsplan bevatten immers de door ons gewraakte mogelijkheden om in het buitengebied nieuwe burgerwoningen op te richten. Die mogelijkheden zijn, zoals hiervoor reeds is aangegeven, pas bij de vaststelling in het plan opgenomen.

Kort samengevat zijn wij van oordeel dat in deze situatie het geven van de in artikel 3.8 lid 6 bedoelde reactieve aanwijzing het enige effectieve middel is om de betreffende ruimtelijk ongewenste bouwmogelijkheid tijdig te blokkeren. De aanwijzing vervult daarbij de door de Minister VROM bedoelde "vangnetfunctie voor onvoorziene omstandigheden".

 



Tot besluit

Gezien het voorgaande besluiten wij, overeenkomstig artikel 3.8, lid 6, van de Wro, een aanwijzing te geven, ertoe strekkende dat de artikelen 8.1 (deels), 34.6 (deels) en 34.7, alsmede de aanduiding 'wro-zone -wijzigingsgebied 7' op de verbeelding geen onderdeel blijven uitmaken van het het bestemmingsplan Buytenland van Rhoon, zoals dat op 26 april 2010 door de raad van de gemeente Albrandswaard is vastgesteld.

Wij verzoeken u om ons aanwijzingsbesluit bekend te maken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8, lid 3 en lid 6 Wro.

Hierbij merken wij op dat de aanwijzing ook in digitale vorm vastgesteld en beschikbaar is (NL.IMRO.9928.DOSx2010x0010002AW-VA01). De bronbestanden van deze zijn terug te vinden op: http://ro.zuid-holland.nl/Reactieve_aanwijzingen/Gemeente_Albrandswaard_Buytengebied_van_Rhoon/
Een verbeelding van dit plan kunt u vinden op http://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl.

Wij verzoeken u om bovenstaand digitaal aanwijzingsbesluit in de bekendmaking op te nemen.

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
 

secretaris, M.H.J. van Wieringen-Wagenaar

voorzitter, J. Franssen